Zoogdieren in beeld: de juiste wildcamera juist plaatsen

Wildcamera’s zijn een ideaal hulpmiddel voor het betreden van de mysterieuze wereld van wilde zoogdieren. Ze maken het mogelijk om dieren ongestoord waar te nemen, op elk moment van de dag en onder de meest uiteenlopende weersomstandigheden. Inmiddels is de markt overspoeld met wildcamera’s. Naast een zorgvuldige opstelling is het dan ook een ware uitdaging om tot een juiste keuze te komen.

De afgelopen decennia is het gebruik van wildcamera’s voor talloze doeleinden enorm toegenomen. Ze zijn met name populair binnen de jacht en de ecologie; onder andere voor inventarisaties en ecologisch onderzoek. De interesse in wildcamera’s groeit echter ook steeds meer bij de ‘algemene natuurliefhebber’. Naast de algemene soorten, bieden wildcamera’s een uitstekende mogelijkheid om de aanwezigheid van zeldzame en schuwe zoogdiersoorten te bepalen. Hoewel er geen garantie is dat een soort door de wildcamera wordt vastgelegd, kom je met de juiste cameraopstelling en een geschikte wildcamera een heel eind.

De juiste wildcamera

Voor het selecteren van de juiste wildcamera moet er een aantal keuzes worden gemaakt. Cruciale kenmerken van een wildcamera zijn onder andere de reactietijd (de tijd tussen het waarnemen van een object en het daadwerkelijk maken van de opname), de hersteltijd (de tijd die nodig is na het maken van een opname alvorens de camera opnieuw kan worden getriggerd) en de gevoeligheid van de sensor. Wanneer er geen lokmiddel gebruikt wordt, zal het dier vaak enkel de camera passeren. In dat geval gaat de voorkeur uit naar een wildcamera met een korte reactietijd en een korte hersteltijd. Dit leidt tot zo veel mogelijk beelden van het passerende dier en maximaliseert daarmee de kans dat het dier effectief wordt vastgelegd. Een hoge gevoeligheid van de sensor zorgt ervoor dat de camera snel geactiveerd wordt (ook in dichtbegroeide habitats), waarmee de kans op een waarneming wordt vergroot. Een hoge gevoeligheid van de sensor kan echter ook leiden tot een overvloed aan foto’s waar geen dier op staat (‘valse detecties’). Tot slot, voor het vastleggen van algemeen voorkomende soorten is het opstellen van een beperkt aantal camera’s gedurende een korte periode meestal voldoende om de aanwezigheid vast te stellen. Bij een zeldzame diersoort is de kans op succes echter vaak groter wanneer men een groot aantal camera’s gedurende een langere periode op dezelfde plek opstelt.

Wildcameraopstelling
Wildcameraopstelling (foto: Joep van Belkom)

De optimale opstelling

Voorafgaand aan het opstellen van een cameraval ligt de focus op het bepalen van een geschikte locatie binnen het gebied waar je de wildcamera wilt uitzetten. Om de kans op een waarneming te optimaliseren, let je vooral op sporen (wissels, prenten, vraat- of veegsporen of uitwerpselen) en specifieke habitatkenmerken die een soort kunnen aantrekken (bijvoorbeeld een waterpoel). Heb je eenmaal een geschikte locatie gevonden, dan moet je bij het plaatsen van de wildcamera rekening met de directe omgeving houden. Hierbij gaat het om (natuurlijke) elementen die het zicht- en detectievermogen van de camera beïnvloeden, zoals de glooiing van het terrein, de aanwezige vegetatie en aanhechtingspunten. Voor het opstellen van de wildcamera behandelen we het AHAA-principe, dat staat voor Aanhechting, Hoogte, Afstand en Aanzicht.

Met de Aanhechting wordt het belang van een stevige opstelling bedoeld, die bestand is tegen weer en wind én tegen nieuwsgierige dieren. Er bestaan allerlei accessoires – zoals elastiekkoorden en boomvorken – om de wildcamera stevig en gemakkelijk vast te maken aan een paal, boom of ander vaststaand object. Uiteraard kun je ook gebruikmaken van natuurlijke objecten uit de omgeving, zoals takken, stukjes hout of stenen, die als een wig achter de camera geplaatst kunnen worden om deze goed te richten. Met een stevige aanhechting verklein je de kans op verstoring van de cameraopstelling, bijvoorbeeld door een nieuwsgierig everzwijn. Niets is vervelender dan na een paar weken of maanden bij terugkomst te ontdekken dat de opstelling is verstoord.

Het tweede aspect is de Hoogte waarop de wildcamera geplaatst wordt. Als vuistregel wordt gesteld dat de hoogte gerelateerd dient te zijn aan de romphoogte van het dier (zie figuur 1). Hoe hoger de wildcamera wordt bevestigd, des te groter is de kans dat kleinere dieren er ongezien voorlangs lopen. Wil je zowel grote als kleine dieren op beeld krijgen, dan is het advies om de wildcamera op kniehoogte (ongeveer dertig tot vijftig centimeter) te plaatsen. Bij een lagere hoogte dien je extra rekening te houden met de (te verwachten) ondergroei van de aanwezige vegetatie gedurende de looptijd van de plaatsing.

Bevestig de wildcamera op ongeveer de romphoogte van de diersoort waar de focus op ligt
Bevestig de wildcamera op ongeveer de romphoogte van de diersoort waar de focus op ligt (foto: Arianne Sulman)

Als derde volgt de Afstand van de camera tot de waar te nemen dieren. Bevinden de dieren zich namelijk te dicht voor de camera (minder dan anderhalve meter), dan resulteert dit vaak in overbelichte nachtbeelden, veel bewegingsruis en onscherpe beelden. Omgekeerd, als de dieren zich op te grote afstand van de camera bevinden (meer dan vijftien meter) neemt de kans op detectie sterk af. Ook de belichting wordt minder goed, waardoor je nauwelijks kunt bepalen wat er langs de camera is gelopen. Voor mooie beelden bevinden dieren zich op vijf tot vijftien meter van de camera. Voor goede close-ups van kleine diersoorten, zoals muizen, kleine marterachtigen en vogels, kun je overigens gebruikmaken van een voorzetlens, waarmee je de scherpteafstand terugbrengt tot bijvoorbeeld veertig tot vijftig centimeter. Standaard leesbrillen voldoen hiervoor prima!

Tot slot is er nog het Aanzicht van het dier. Wil je vooral een mooi en duidelijk vooraanzicht of juist liever een volledig zijaanzicht? Door de camera in lijn met het pad van het dier te plaatsen wordt de tijd waarin het dier zich in beeld bevindt gemaximaliseerd en verklein je dus de kans dat het dier alweer uit beeld is voordat de camera een opname heeft kunnen maken. Dit heeft wel tot gevolg dat je voornamelijk voor- en achteraanzichten van een dier zult vastleggen. Ook kun je de camera verticaal plaatsen. Vanuit bepaalde doelstellingen kan dit interessant zijn, maar het is zaak je te realiseren dat de sensor mogelijk minder optimaal functioneert en dat daardoor het detectiebereik drastisch wordt ingekort. Ook is de kans op vochtintreding op deze manier groter. Bij het aanzicht is het van belang om rekening te houden met de stand van de zon. De warmtegevoelige bewegingssensor kan namelijk worden verstoord door direct zonlicht met als gevolg een onophoudelijke triggering van de sensor en honderden of duizenden ‘blanco’ opnamen. Om dit te voorkomen richt je de wildcamera bij voorkeur naar het noorden of scherm je de camera af voor direct zonlicht. Al met al is er veel om op te letten.

Goede voorbereiding is de sleutel tot succes

Om dieren naar de cameraval te lokken, kun je eventueel de locatie aantrekkelijker maken. Hierbij kun je een lokmiddel gebruiken, maar ook een (natuurlijk) obstakel strategisch plaatsen. Hoe meer tijd je neemt voor de juiste opstelling, des te groter de kans op een mooie waarneming!

Groep everzwijnen vastgelegd op een van de cameravallen
Groep everzwijnen vastgelegd op een van de cameravallen (foto: Jolien Wevers)

Het everzwijn op de camera

Gewapend met veertig cameravallen trok Jolien Wevers eropuit om everzwijnen vast te leggen in het Nationaal Park Hoge Kempen. Het doel was om het activiteitenpatroon en het ruimtegebruik van everzwijnen te bestuderen in reactie tot omgevingsfactoren (voedsel en beschutting) en menselijke verstoring (recreatie en jacht). Qua type wildcamera viel de keuze op het Reconyx HC600-model. Dit model heeft een zeer korte reactie- en hersteltijd, een hoge gevoeligheid van de sensor, en een totaal onzichtbare infraroodflits. Bovendien is de Reconyx HC600 uiterst betrouwbaar en energiezuinig. Het onderzoeksgebied was opgedeeld in veertig vakken van anderhalve vierkante kilometer. Per vak werd één wildcamera geplaatst die gedurende een jaar iedere drie weken werd herplaatst op een vooraf bepaalde willekeurige locatie binnen het vak. De wildcamera’s werden bevestigd aan een boom op vijftig centimeter hoogte, parallel met de grond en gericht naar het noorden. Zo werden de camera’s getriggerd door zowel volwassen als juveniele individuen en werd het aantal ‘blanco’ opnames beperkt. Deze opstelling staat bovendien toe dat niet alleen de everzwijnen, maar ook andere diersoorten worden vastgelegd. Om het gedrag minimaal te beïnvloeden en een minimaal vertekend beeld te krijgen van hoe de tijd en ruimte worden benut, is er geen gebruik gemaakt van een lokmiddel, ook was de camera niet gericht op een wissel.

Alle foto’s werden opgeladen en verwerkt door gebruik te maken van het online platform Agouti.eu. Bij elke observatie werd het geslacht en de leeftijd van het dier genoteerd. Informatie zoals het tijdstip en de locatie worden door het systeem zelf per foto toegekend. Door het aantal observaties uit te zetten tegen de tijd, wordt inzicht verkregen in het activiteitenpatroon van de soort. Everzwijnen werden voornamelijk tussen 20.00 uur en 05.00 uur waargenomen: juist het tijdstip waarin ze de minste kans lopen om mensen tegen te komen. Om de interactie tussen mens, everzwijn en biotoop verder uit te drukken werd voor elke cameralocatie, binnen een straal van tien meter, een reeks omgevingsvariabelen meegenomen, waaronder het type vegetatie (voedsel), de vegetatiedichtheid (beschutting), afstand tot dichtstbijzijnde (wandel)weg en hoogzit (menselijke verstoring). Eerste resultaten toonden aan dat de lokale beschikbaarheid aan bos van invloed is op het vermogen van everzwijnen om te gedijen in een mensgedomineerd landschap. Verdere resultaten van het onderzoek zullen begin 2021 verschijnen in het doctoraat van Jolien.

Zoogdier

Bovenstaand artikel wordt aangeboden door de redactie van Zoogdier. Zoogdier is het populair-wetenschappelijk kwartaalblad van de Zoogdiervereniging en Natuurpunt. Leden van de Zoogdiervereniging en abonneehouders van Natuurpunt krijgen Zoogdier automatisch thuisgestuurd.

Elk kwartaal zijn in het blad Zoogdier achtergrondartikelen te lezen over bescherming van en onderzoek naar in het wild levende zoogdieren in Nederland en Vlaanderen. In het winternummer kunt u lezen over een toekomstperspectief voor de kleine marters in Nederland, de terugkeer van de lynx naar België, de plannen voor het Jaar van de Otter in 2021 en de fotowedstrijd die in het kader van de Rode Lijst Zoogdieren is georganiseerd. Daarnaast worden ook artikelen gepubliceerd over activiteiten die de werkgroepen van de Zoogdiervereniging (Nederland) en Natuurpunt (Vlaanderen) ondernemen.

Publicatiedatum: 10 december 2020

Tekst: Joep van Belkom, Lennart Suselbeek en Jolien Wevers,
gepubliceerd in Zoogdier 31-4, 2020.
Foto's: Joep van Belkom (leadfoto: wildcameraopstelling met lokmiddel om een dier voor de camera te lokken); René Sulman; Jolien Wevers

Lennart Suselbeek en Joep van Belkom zijn beiden werkzaam bij het in wildcamera’s gespecialiseerde bedrijf Wildlife Monitoring Solutions, en hebben jarenlange ervaring met het werken met wildcamera’s vanuit wetenschappelijk onderzoek en ecologisch advieswerk. Jolien Wevers is promovendus aan de Universiteit Hasselt, waarvoor ze in samenwerking met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) onderzoek doet naar het gedrag van everzwijnen in het Nationaal Park Hoge Kempen in het kader van een FWO lifewatch-project.