Bunzing

Bunzing (© Merijn van den Hoogenhoff)

De bunzing (Mustela putorius) behoort tot de familie der marterachtigen. Tezamen met de andere marterachtigen: das, otter, wezel, hermelijn, nerts en de boom- en steenmarter, vormt deze familie de grootste groep landroofdieren in Nederland. De bunzing heeft een kop-romp lengte van 33-45 cm, een donkerbruine vacht met een geel, geelwitte of lichtbruine ondervacht. Verwarring met andere marterachtigen kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De bunzing heeft een donkerbruine vacht met een geel, geelwitte of lichtbruine ondervacht, die er vooral op de flanken doorheen schemert. In de winter is zijn vacht langer dan in de zomer. Op de kop heeft hij rondom het donkere haar rond de ogen een band van witte, gelige of grijsachtige haren, ook wel aangeduid als masker. Het dier heeft een donkere keel. Ook de zijkanten van de neus zijn witbehaard, de snorharen zijn lang en donker. De ogen zijn donker en de oren zijn relatief klein, met grijswitte randjes. De staart is lang en donker behaard. De poten zijn zwart. ’s Winters ziet het dier er lichter en ronder uit omdat de winterse ondervacht dan door de dekharen heen komt.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: mannetje 33-45 cm, vrouwtje 28-38 cm
lengte staart: mannetje 12-18 cm, vrouwtje 10,5-15 cm
gewicht: mannetje 500-1800 gram, vrouwtje 300-900 gram

Het mannetje is duidelijk groter dan een vrouwtje; een mannetje kan tweemaal zo zwaar worden als een vrouwtje.

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de bunzing omvat geheel Europa, met uitzondering van het noordelijke deel van Scandinavië, Griekenland en de eilanden in de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië is hij door vervolging teruggedrongen tot Wales. In Nederland komt de bunzing verspreid over het heel land voor, behalve op de Waddeneilanden.

De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen.

 

Leefwijze en voedsel

De bunzing is vooral's nachts actief. In de uren na zonsondergang en voor zonsopgang vertoont de bunzing de meeste activiteit. Dan gaat hij op jacht. Dit doet hij vrijwel nooit in de buurt van zijn verblijfplaats. Hij zoekt het gebied af naar holtes, nissen en holen. Prooien worden bij verrassing besprongen. In de periode juni-september, wanneer de jongen nog niet zelfstandig zijn, worden bunzingen ook overdag gezien. Bij strenge koude verlaat de bunzing zijn schuilplaats soms gedurende enige dagen niet, maar regen deert hem niet. Tijdens de paartijd (april, begin mei) en in de tijd dat de jongen opgroeien, leeft de bunzing in familiegroepjes. Dat duurt tot de herfst, waarna de jongen een eigen plek gaan zoeken. Bunzings zijn soms vrij sociaal en verzorgen vaak elkaars vacht. De bunzing klimt zelden, maar zwemmen en duiken kan hij goed.

Het voedsel van de bunzing bestaat uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, hazen, ratten, muizen, mollen, vogels, vogeleieren, reptielen, amfibieën en insecten, maar ook vogelkers, bosbes of ander fruit wordt gegeven. De bunzing gaat bij de jacht vooral op zijn neus en oren af. Afhankelijk van de prooi past hij uiteenlopende tactieken toe om deze te doden: een konijn wordt in de neus of de nek gegrepen, een muis in de kop en een kikker in de nek. De bunzing is een echte grondjager. Soms legt de bunzing een voedselvoorraad aan van kikkers die hij door middel van een beet in de rug heeft verlamd zodat ze nog lang vers blijven. Eieren, ook grotere exemplaren van kip, eend of fazant, worden meegenomen naar een rustig eetplekje en soms ook begraven. Ook andere prooiresten worden soms verstopt achter graspollen, boomschors of in boomholtes als een ‘appeltje voor de dorst’.

 

Territorium en Verblijfplaats

De grootte van een leefgebied bedraagt 8 tot 1000 hectare en is afhankelijk van voedselaanbod: in streken met weinig prooi zal het leefgebied groter zijn. Het varieert in de loop van de seizoenen en door de jaren heen. Het gebied van mannetjes is veel groter dan dat van vrouwtjes en overlapt dat van een aantal vrouwtjes. De territoria zijn het grootst in de zomer, als voedsel voor de jongen wordt gezocht. De bunzing verdedigt zijn territorium tegen seksgenoten. Hij markeert bepaalde punten in zijn leefgebied met een secreet uit zijn anaalklieren (muskus) en soms met uitwerpselen.

Jonge vrouwtjes bezetten vaak het woongebied van de moeder of blijven in de omgeving, terwijl jonge mannetjes verder weg trekken.

Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. De bunzing graaft soms zelf een hol. Daarbij ontstaat een stortbergje met aarde waardoor het hol sterk lijkt op dat van een bruine rat.

 

Voortplanting en leeftijd

Tijdens de paartijd (ook wel ranstijd genoemd) in maart tot mei onderneemt het mannetje lange tochten, op zoek naar een vrouwtje. Daarna maakt hij het vrouwtje het hof. Deze hofmakerij neemt veel tijd in beslag. Uiteindelijk laat het vrouwtje zich slap en willoos, als een gedood prooidier, door het mannetje meeslepen, waarna de paring plaatsvindt. Na een draagtijd van circa 6 weken worden 4 tot 10 jongen geboren in een hol. De jongen hebben een zijdeachtige, grijs-witte vacht en zijn kaal en blind bij de gewoorde. Ze worden door de moeder grootgebracht. Ze worden een maand lang gezoogd, na twee maanden verlaten ze het nest en gaan mee op jacht. Na drie maanden zijn ze zelfstandig en daarna gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied. Als de jongen vroegtijdig sterven, is er soms later in de zomer een tweede worp.

De bunzing kan 5 tot 6 jaar oud worden, maar meestal sterven ze veel jonger. Dat gebeurt met name door verkeer: jongen die wegtrekken uit het gebied van hun moeder, en mannetjes die op zoek zijn naar vrouwtjes. In gevangenschap kan een bunzing wel 10 jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

Hoewel er in Nederland geen gegevens zijn over de precieze bunzingstand, lijkt de soort zich redelijk te kunnen handhaven. De grootste bedreiging is het verkeer, dat jaarlijks veel slachtoffers eist, vooral in de periode dat de jongen op zoek gaan naar een eigen leefgebied. Daarnaast zijn er vermoedens dat bunzingen slachtoffer worden van (illegale!) vervolging. Ook zwemmen of lopen ze nogal eens in muskusrattenvallen. Maar ook schaalvergroting en ‘opruimwoede’ vormen een bedreiging omdat er minder schuilplaatsen meer zijn. Natuurlijke vijanden kennen ze niet.

Door kruisingen met de fret (vermoedelijk afstammelingen van een bunzingsoort uit Spanje of Marokko als huisdier in Nederland gehouden maar verwilderd) wordt mogelijk de genetische raszuiverheid van de bunzing bedreigd. Nakomelingen (de bunzingfret) leeft ook in het wild en paart met de bunzing. Afstammelingen vertonen in opeenvolgende generaties meer en meer de normale bunzingtekening.

Het instandhouden van holle bomen, overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen en het laten liggen van takkenhopen en rietbossen zijn goede maatregelen die er voor zorgen dat de bunzing voldoende schuilplaatsen heeft.

Waarnemen

>

Vraatsporen

Van kikkers en padden wordt alleen het achterlijf gegeten. Bij padden wordt ook wel de huid afgestroopt. Bij grotere prooivogels laat de bunzing de vleugels aan het schoudergewricht vastzitten. Nadat de bunzing een vrouwelijke kikker of pad heeft gegeten, braakt hij de eierstokken en het gelatine-achtige omhulsel van de onontwikkelde dril uit (ook wel sterrenschot genoemd).

 

Uitwerpselen

De uitwerpselen van een bunzing zijn 5-10 cm lang, 5-9 mm dik, cilindervormig en gevlochten. Vers zijn ze zwart tot donkerbruin glimmend en oud zijn ze doffer, maar zelden viltig van uiterlijk. Deze zijn te vinden langs bospaden, bij holen, bij boerderijen of stallen. Ook in de buurt van een schuilplaats in latrines. Dit kan zijn op takkenmijten, stapels open-haardhout of hooi- of strobalen.

 

Loopssporen

De loopsporen van een bunzing zijn 25-35 mm breed en 25-32 mm lang, waarbij de voorvoet iets kleiner is dan de achtervoet. De grootte van de prenten overlapt met die van boommarter en steenmarter. In sneeuw is soms een sleepspoor van de staart te zien. Net als de meeste marterachtigen, loopt ook de bunzing met de typische martersprong. Dit is een rustige galopsprong met een afzet vanuit de voorpoten. Hierbij ontstaan prentgroepjes van 2, 3 of 4 prenten. (DS) Stap komt enkel voor bij het besluipen van een prooi. Loopsporen zijn soms te vinden in slootkanten, op veldweggetjes, bospaden, strandbanken, oevers en akkerranden. Langs jachtroutes zijn soms prooiresten te vinden. De bunzing leeft graag in de buurt van boerderijen.