Living Planet Report: Natuur en landbouw verbonden

Het gaat nog slechter met natuur dan tot nu toe gedacht. De populatieomvang van dieren die karakteristiek zijn voor het agrarisch gebied is sinds 1990 gemiddeld bijna gehalveerd. Voor zoogdieren heeft dit drie kanten. Er zijn een aantal grote soorten die profiteren van goede bescherming en weinig last hebben van schaalvergroting in de landbouw. Veel kleine zoogdieren hebben het moeilijker of er zijn zorgen over, vooral door de voortdurende schaalvergroting in de landbouw. De derde kant is dat er van een deel van de soorten niet voldoende data beschikbaar was om een LPI trend te geven. De kringlooplandbouw is een positieve belofte. Volgens de LPR wil meer dan de helft van de boeren naar een fundamenteel andere, meer natuurvriendelijke landbouw.

Grote soorten profiteren van goede bescherming

Grote soorten waar het goed mee gaat zijn bijvoorbeeld das, ree, boommarter, steenmarter, wolf, bever en otter en in enkele gebieden edelhert en wild zwijn. Veel van deze soorten zijn na bejaging (bijna) verdwenen geweest uit Nederland en profiteren van goede bescherming.

Veel kleine soorten gaan achteruit

Daartegenover staat dat het slechter gaat met een aantal kleinere soorten. Dit komt door het verdwijnen van habitat van deze dieren en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Insecteneters zijn afhankelijk van insecten, muizeneters zijn afhankelijk van muizen. De muizeneters en insecteneters krijgen het moeilijk als er weinig prooi en dekking is, en als bestrijdingsmiddelen opstapelen. Het is duidelijk dat houtwalletjes, ruigteveldjes en beekdalen vroeger veel rijker waren aan allerlei dieren, waaronder naast vlinders, vogels, amfibieën en reptielen ook eikelmuis, hamster, hazelmuis, hermelijn, bunzing en wezel. Door het verminderen van dynamische waterpeilen en concurrentie met de aardmuis heeft de endemische noordse woelmuis het steeds moeilijker. De veldmuispieken die vroeger regelmatig voorkwamen lijken zich na een dip in de afgelopen jaren daarentegen te herstellen.

Niet voldoende data van een aantal zoogdiersoorten

Voor de LPI Fauna op land zijn 26 soorten zoogdieren meegenomen van de 56 soorten die op land leven. Voor een aantal soorten was niet voldoende data beschikbaar voor het maken van de LPI. Zo zijn er geen data opgenomen van vleermuizen in de LPI Agrarisch gebied. Van oudsher vormen vleermuizen en landbouw een bijzondere relatie: de dieren huizen in de gebouwen en jagen op insecten boven de gewassen en in stallen. De ingekorven vleermuis is een door boeren graag geziene bewoner van stallen in Limburg, waar hij leeft van stalvliegen. Voor de LPI Agrarisch gebied zijn acht zoogdieren meegenomen: das, haas, hamster, kleine marters, ondergrondse woelmuis en veldmuis. De hamster is wel meegenomen in de LPI, maar de piek die daarin te zien is lijkt vooral een tijdelijke opleving te zijn geweest, maar gaat hard in aantal achteruit.

Stikstof effect op zoogdieren

Ook stikstof kan een effect hebben op zoogdieren. Een veranderde chemische samenstelling van planten heeft consequenties voor plantenetende insecten en dat kan doorwerken naar insecteneters. De mechanismen hierachter zijn nog slecht bekend. Wanneer door stikstofdepositie bodems uitputten, dan kan de situatie ontstaan dat dieren wegtrekken uit bossen waar ze bepaalde stoffen niet binnen krijgen. Het lijkt erop dat de eekhoorn daar mee bezig is, door weg te trekken uit de kernen van bossen. Maar zowel van de veranderde verspreiding van de eekhoorn als van de mechanismen daarachter is nog onvoldoende bekend.  Veel zoogdieren profiteren in eerste instantie van vergrassing en verbossing, omdat het werkt als dekking en voedselbron. Dit is positief voor bijvoorbeeld reeën.

Drie sterkste stijgers belicht

De drie zoogdiersoorten die in de LPI Fauna op land het hardst zijn gegroeid zijn de bever, de otter en de franjestaart (een vleermuis). De bever en otter hebben zich na herintroductie in resp 1988 en 2002 over diverse delen van Nederland verspreid en profiteren van goede bescherming en goede waterkwaliteit. Beide dieren doen het prima bij voedselrijke omstandigheden. De franjestaart is een vleermuis die leeft in bossen en heeft in de jaren 90 een sterke stijging laten zien, en is de afgelopen 10 jaar matig toegenomen. Hij heeft mogelijk geprofiteerd van het ouder worden van bossen.

Een andere soort (de ingekorven vleermuis) laat in de LPI een sterke stijging zien maar mag niet met het predicaat sterke stijger de boeken in. Het is een soort in Limburg met een klein verspreidingsgebied aan de noordrand van het verspreidingsgebied met maar een paar verblijven waar de tellingen sterk wisselen: oplevingen gevolgd door dalen. Het gaat juist om een soort die kwetsbaar is.

Kringlooplandbouw is positieve belofte

Het landbouwsysteem past niet meer. Het kleinschalig landschap verdwijnt, er worden teveel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Het wordt bijvoorbeeld onnatuurlijk stil boven de landbouwgebieden in de nacht: er vliegen minder vleermuizen. De kringlooplandbouw is een positieve belofte. Volgens de LPR wil meer dan de helft van de boeren naar een fundamenteel andere, meer natuurvriendelijke landbouw. Er zijn volop voorbeelden van natuurvriendelijke landbouw waar de biodiversiteit zich herstelt. Deze gaan uit van een gezonde bodem, en een goede lucht- en waterkwaliteit, linten van landschapselementen verbinden ecosystemen en soorten tot een rijk boerenland en bieden leefgebied aan nuttige soorten zoals bestuivers en natuurlijke vijanden van plagen, zoals vleermuizen. Wat vleermuizen voor boeren kunnen doen, zie het boxje Boer zoekt Vleermuis.

Een belangrijke randvoorwaarde voor de omslag naar natuurvriendelijke landbouw is dat de inspanningen die boeren hiervoor leveren voldoende worden beloond en gewaardeerd. Daarvoor is het noodzakelijk de kosten en waarden van biodiversiteit in de hele keten te verankeren.


Hamster vindt te weinig graan

De hamster of korenwolf is in het verleden overgestapt van grassteppes in Oost-Europa naar graan- en luzernevelden in Midden- en West-Europa. Het is daarmee een echte cultuurvolger. In Nederland vestigde hij in Zuid-Limburg. Maar toen de landbouw intensiveerde, verloren de akkers hun betekenis als leefgebied. Percelen werden groter en luzerne verdween; het werd vroeger verbouwd als veevoer en, omdat het stikstofverbindingen in de bodem bracht, als groenbemester. Het areaal graan liep terug: waar vroeger op 70 procent van de Zuid-Limburgse akkers graan stond, is dat in veel regio’s tegenwoordig nog geen 25 procent. Het graan dat er nog is, wordt vroeger geoogst, zodat minder lang voedsel voor hamsters beschikbaar is. Gevolg is dat vrouwtjes niet meer meerdere worpen per jaar kunnen produceren; soms werpen ze zelfs niet één keer. In Nederland was een fok- en herintroductieprogramma noodzakelijk om de soort, die rond 2000 vrijwel verdwenen was, te behouden. Met hamstervriendelijke maatregelen in het kader van agrarisch natuurbeheer en met hamsterreservaten probeert men sinds 2002 een duurzame populatie op te bouwen in Zuid- Limburg; zo worden graan en luzerne geteeld, maar niet volledig geoogst. Het aantal hamsters nam in de eerste jaren spectaculair toe, om vervolgens weer te dalen (CLO, 1073; Müskens et al., 2018). Het is op dit moment noodzakelijk om elk jaar opnieuw een aantal dieren uit het fokprogramma uit te zetten. Agrarisch natuurbeheer ten behoeve van de hamster blijkt niet makkelijk te zijn. Boeren kunnen alleen worden verleid om hamsterbeheer uit te voeren als beheerpakketten simpel zijn en financieel aantrekkelijk. Om de hamster definitief voor Nederland te behouden moet het leefgebied groot genoeg zijn met relatief kleine percelen, zodat de dieren altijd akkers en dekking in de buurt hebben. Op minimaal 25 procent van het akkerareaal moet hamstervriendelijk beheer worden toegepast. Ook akkervogels en kleine marters profiteren daarvan en het maakt Zuid-Limburg aantrekkelijk voor recreatie. 

Image
Hamster
Hamster (foto: Gerard Müskens)

Muizenpieken lokken velduil en kleine marters

Tot eind jaren vijftig van de vorige eeuw kende Nederland driejaarlijkse muizenpieken. Met name open, laaggelegen graslanden werden dan ‘onder de voet gelopen’ door enorme aantallen veldmuizen. Muizeneters zoals roofvogels, uilen en kleine marters maakten daar dankbaar gebruik van en kenden topjaren als de muizenstand piekte. Maar in de laatste decennia van de vorige eeuw verdwenen de muizenpieken, waarschijnlijk doordat veel laatste toevluchtsoorden, zoals brede, soortenrijke bermen en overhoekjes, verdwenen. De muizenpiek die in 2004 in Friesland en Groningen optrad, kwam dan ook geheel onverwacht. Boeren hadden miljoenen aan economische schade, maar de ecologische opbrengsten waren groot, met piekaantallen kleine marters en een zeer hoog broedsucces bij verschillende roofvogels en uilen: torenvalk, buizerd, ransuil en kerkuil. Toen al gaven ecologen aan dat dit wellicht geen incident zou blijven. In 2014/2015 volgde een nieuw piekjaar en in 2019 was het weer raak. De recente muizenpieken zijn waarschijnlijk het gevolg van zachte wintermaanden, diepe ontwatering van graslanden, eenvormigheid van het landschap, hoge dichte grasmatten en minder begrazing door vee (van Apeldoorn, 2005; Wymenga et al., 2015). Bij de recente uitbraken verscheen zelfs de zeldzame velduil. Deze soort broedt in ‘doorsnee’-jaren met slechts enige tientallen paren in Nederland. Alleen al in Friesland werden in 2014 echter meer dan 50 territoria vastgesteld (Kleefstra et al., 2015) en in 2019 waren er meer dan 70 broedparen. Kennelijk weet de velduil muizenplekken goed te vinden. Hij had, voor de komst naar Nederland, enige jaren met een groot broedsucces in Scandinavië achter de rug, gevolgd door goede broedjaren in Groot-Brittannië. Velduilen kunnen over grote afstanden plekken vinden met hoge aantallen muizen. Om een goed broedsucces te garanderen, moeten de nesten, die op de grond liggen, beschermd worden. Daarvoor gaan veel vrijwilligers op pad. De nesten liggen daar waar de muizen zijn, in regulier boerenland. Zonder nestbescherming vallen de uilen veelal ten prooi aan de maaimachine. 

Image
Hermelijn
Hermelijn (foto: Ellen van Norren)

Boer zoekt vleermuis

Tussen boeren en vleermuizen kan iets moois opbloeien. Vleermuizen komen graag in agrarisch gebied. Het zijn insecteneters, met onder meer kevers, muggen, nachtvlinders, veeknutten en vliegen op het menu. Die vinden ze in de stallen, op het erf of boven boomgaarden, bomen en gewassen. Boeren hoeven bij aanwezigheid van vleermuizen minder chemische middelen te gebruiken tegen stalvliegen en veeknutten die hinderlijk zijn voor vee, of tegen motten en kevers die het fruit belagen. Verschillende projecten onder de noemer ‘Boer zoekt Vleermuis’ helpen de relatie tot stand te brengen. De Zoogdiervereniging, het Centrum voor Landbouw en Milieu en agrarische natuurverenigingen hebben de projecten opgezet om boeren te stimuleren hun erf aantrekkelijker te maken voor vleermuizen. Zij kunnen bijvoorbeeld vleermuiskasten plaatsen, de erfbeplanting uitbreiden of de verlichting dimmen. Tot nu toe doen boeren in drie provincies mee. In Zuid-Holland zijn dat vooral melkveebedrijven en bloembolkwekers. Er zijn negen vleermuissoorten op de deelnemende boerenbedrijven waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, franjestaart en watervleermuis (Guldemond et al., 2017; M. Schillemans, pers. com.). In Noord-Brabant zijn bij deelnemende bedrijven negen soorten vleermuizen aangetroffen, waaronder drie in Nederland zeldzame soorten: kleine dwergvleermuis, ingekorven vleermuis en bosvleermuis. Vooral de aanwezigheid van de ingekorven vleermuis is bijzonder, want de laatste waarneming in het gebied dateerde van jaren geleden. Doel van het project in Midden-Limburg was om stallen geschikt te houden of geschikt te maken voor de ingekorven vleermuis en het toekomstperspectief te bepalen voor deze soort, die in open veestallen op stalvliegen jaagt en stallen ook gebruikt als kraam- en zomerverblijf. Daarvan profiteren ook andere vleermuissoorten, die veeknutten bestrijden (Schillemans et al., 2016).

Image
Gewone grootoorvleermuis
Gewone grootoorvleermuis (foto: Bernadette van Noort)

Gepubliceerd op 6 februari 2020

Auteur: Ellen van Norren, Zoogdiervereniging

Voor verdere informatie kun je het Living Planet Report lezen via deze link.