Wasbeer
De wasbeer (Procyon lotor) is een middelgroot roofdier met een langharige, peper-en-zoutkleurige vacht. Kenmerkend zijn het zwarte masker en de 4 tot 7 zwarte staartringen. Van Oorsprong komt de wasbeer voor in Noord- en Midden-Amerika. In de jaren 1930 is hij voor de pelsdierfokkerij ingevoerd in Europa. Als gevolg van ontsnappingen, maar ook door uitzettingen, heeft de wasbeer zich nu in een groot deel van Midden-Europa gevestigd. Ook in Nederland neemt het aantal meldingen toe, vooral in het zuidoosten. De wasbeer geldt als een invasieve exoot, die schade kan toebrengen aan de inheemse natuur en overlast bij mensen kan veroorzaken.
Wasberenmeldpunt
Heeft u zelf een wasbeer gezien of heeft u een wasbeer in de tuin, schuur, in huis (op zolder) of bent u er een tegengekomen in het natuurgebied in de buurt, geef deze dan door.
Klik hier om naar het wasberenmeldpunt te gaan.
Uiterlijke kenmerken
De wasbeer is een middelgroot roofdier met een plomp lichaam, een brede kop die spits toeloopt en relatief lange poten. De langharige vacht van de wasbeer is peper-en-zoutkleurig, soms grijs, rossig of geelgrijs op de rug, witgrijs op de buik en licht in de flanken. De staart is dik en stomp en heeft afwisselend zwarte (4-7) en grijswitte ringen. De wasbeer heeft een kenmerkend gezichtmasker met een witte snuit, witte wenkbrauwstrepen, lichte, grote oren en een zwarte band bij de ogen. De neusspiegel is donker met lange lichte snorharen. Zowel de voor- als achtervoeten hebben vijf tenen met scherpe nagels. De achtervoet is langer dan de voorvoet.
Afmetingen
Lengte kop-romp: 58-65 cm Lengte staart: 19-28 cm Gewicht: 3,5-11 kg; mannetjes gemiddeld 7,6 kg, vrouwtjes gemiddeld 5,9 kg
Mannetjes zijn wat groter dan vrouwtjes. Vlak voor de winterrust weegt een wasbeer een derde tot de helft meer dan in het voorjaar.
Gelijkende soorten
De wasbeerhond heeft een minder duidelijk masker en een kortere staart zonder ringen. Daarnaast maakt een wasbeerhond een massievere indruk en heeft deze een rechte rug (het is geen klimmer). De das heeft lengtestrepen op de kop i.p.v. breedtestrepen en een korte, niet-geringde staart. De rode neusbeer heeft net als een wasbeer een geringde staart, maar zijn snuit is veel langer en de kop smaller.
Habitat
Bosgebieden met oud loof- of gemengd bos hebben de voorkeur. Vaak leeft hij in de buurt van water en ook in moerasbos komt hij voor. De wasbeer leeft echter in veel verschillende typen landschappen en kan zich goed aanpassen. Ook komt de wasbeer in de nabijheid van mensen voor, rond steden en dorpen, campings, boomgaarden, parken en in landbouwgebieden. De aanwezigheid van (veel) water is niet noodzakelijk, maar dichtheden in droge gebieden zijn doorgaans laag. In open gebieden met weinig of geen bomen, zijn wasberen doorgaans afwezig.
Leefwijze
Wasberen leven solitair of in kleine groepen bestaande uit moeders met jongen, mannetjes of vrouwtjes. De wasbeer is een nachtdier met een verborgen leefwijze. Hij wordt pas actief na de schemering en trekt zich ruim voordat het licht wordt weer terug. Hij kan goed klimmen en snel rennen, met snelheden tot 24 km/uur. Ook is hij een goede zwemmer; hij steekt rivieren van 50 m breed met gemak over.
In de nazomer en herfst bouwt een wasbeer een flinke vetreserve op, waarop hij kan teren tijdens de winterrust, die van november tot eind februari duurt. De dieren zijn dan weinig actief en slapen veel. Van een echte winterslaap is geen sprake. Bij zeer koud weer kan een wasbeer 1 tot 2 maanden achtereen in een verblijfplaats blijven. Rond februari wordt de winterrust kort onderbroken voor de paring. In de periode van winterrust ligt de wasbeer in een opgerolde houding, waarbij de kop, poten en staart onder het lichaam liggen. Zo kunnen de vetereserves als energievoorziening en warmte-isolatie dienen.
De reukzin, tastzin en het gehoor zijn goed ontwikkeld en spelen ook een belangrijke rol bij het zoeken naar voedsel. Ook het gezichtsvermogen is goed ontwikkeld. Dankzij zijn goede gehoor, veroorzaakt het geringste geluid dat de wasbeer zich onmiddellijk ‘dood houdt’ of vlucht.
Vaak zoekt de wasbeer zijn voedsel langs oevers. Hij tast dan voortdurend de bodem af met zijn voorpoten en ook voedsel uit ondiep water (zoals kikkers, kreeften en vissen) haalt de wasbeer met zijn voorpoten eruit. In de buurt van water worden slakken en kikkers (vanwege giftige stoffen in de huid) intensief gewassen en wordt hard voedsel (om het weker te maken) lang gewreven en geknepen in water. Aan de bijzondere gewoonte om zijn voedsel eerst te ‘wassen’ (een wasbeer in gevangenschap dompelt zijn voedsel ook onder water) dankt hij zijn naam. De wasbeer gaat niet actief achter prooidieren aan, maar bemachtigt deze al rondscharrelend. Gemiddeld verplaatst de wasbeer zich met 180 m per uur en legt per nacht 1-2 km af. In gebieden met weinig voedsel worden grotere afstanden afgelegd, tot 14 km per nacht.
Voedsel
De wasbeer is een opportunistische alleseter die zich zeer goed aanpast aan verschillende situaties. Wasberen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel en passen hun menu aan het seizoen en lokale aanbod aan. Plantaardig voedsel overheerst in de regel, maar bijvoorbeeld in het voorjaar, als er nog weinig plantengroei is, kan het aandeel ongewervelden in het menu toenemen. Wasberen eten allerlei plantaardig materiaal, daarnaast insecten en andere ongewervelden (zoals wormen en slakken), vogels en hun eieren, jonge zoogdieren, kreeften, amfibieën, reptielen en vissen. Ook aas en afval worden gegeten.
In het najaar eet een wasbeer 1,5-2 kg voedsel per dag om zo voldoende vetvoorraad voor de winter op te bouwen.
Territorium en leefgebied
De grootte van het leefgebied van een wasbeer kan sterk variëren, afhankelijk van de kwaliteit van het gebied. Een studie van wasberen in Duitsland, Luxemburg en Polen liet zien dat leefgebieden van vrouwtjes gemiddeld 177 (17–389) ha groot waren, en die van mannetjes 497 (36–1564) ha.
De kleinste leefgebieden en grootste dichtheden (>50 individuen per 100 ha) worden gevonden in en rond steden en dorpen, waar (menselijke) voedselbronnen in verhouding dicht bij elkaar liggen.
Binnen het leefgebied is voldoende voedsel aanwezig en zijn er schuilmogelijkheden.
Bij lage dichtheden van vrouwtjes verdedigen de mannetjes hun territorium tegen soortgenoten. Bij hogere dichtheden lukt dit niet meer alleen en deelt een mannetje zijn territorium met andere mannetjes.
Verblijfplaats
Als verblijfplaats voor de voortplanting en om te rusten worden natuurlijke boomholtes gebruikt. Deze bevinden zich vooral in eiken en beuken, maar ook in andere boomsoorten, waaronder naaldbomen. Holtes hebben bij voorkeur een diameter van 40 cm of meer. Oude buizerd- of eekhoornnesten worden ook gebruikt, evenals holen van vossen of dassen, vooral in de winter. Ook (graan)zolders en schuren dienen soms als rustplaats. Er wordt geen nestmateriaal aangevoerd. Afgezien van de voortplantingslocatie, worden veel verblijfplaatsen eenmalig gebruikt als rustplaats. Een klein aantal doet vaker dienst voor een aantal volwassen individuen tegelijk.
Voortplanting en leeftijd
De paartijd in Europa valt tussen half januari en maart, tijdens een onderbreking van de winterrust. Een mannetje blijft, zodra hij vrouwtje heeft gevonden, haar volgen. Na enkele dagen van afwijzingen, staat zij geleidelijk meer toenadering toe. Dan wrijft het mannetje met de achterkant en nek tegen bomen en andere voorwerpen. Na 4-5 dagen vindt de paring plaats. Deze duurt tot een uur en tijdens de paring bijt het mannetje zich vast aan het vrouwtje. Zowel mannetjes als vrouwtjes paren tijdens een ransperiode met verschillende partners. Na de ranstijd is het mannetje vaak kaal of gewond op de wrijfplekken.
Na een draagtijd van gemiddeld 63 dagen worden in april-mei meestal 3-4 jongen geboren. Deze zijn blind en muisgrijs behaard. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen en de jongen kunnen haar door geschreeuw bij zich roepen, want overdag verblijft zij niet altijd bij haar jongen. Na 2,5 week gaan de ogen open en krijgen ze tanden en kiezen. Na 6 weken krijgen de jongen hun eerste vaste voedsel en na 2 maanden verlaten ze voor het eerst het nest. Vanaf dan gaan ze met hun moeder mee op zoektocht naar voedsel. De jongen worden tot de herfst gezoogd (tot hun gebit volledig is) en ze zijn met 6 maanden zelfstandig. Vrouwelijke dieren zijn in hun eerste jaar geslachtsrijp en mannelijke dieren in hun tweede jaar. In hun derde jaar zijn ze pas geheel volwassen.
Leeftijd
In het wild wordt een wasbeer gemiddeld 2 tot 3 jaar oud en zelden ouder dan 8 jaar. In gevangenschap is een leeftijd van 17-18 jaar mogelijk.
Natuurlijke vijanden
De wasbeer heeft weinig natuurlijke vijanden. Jonge wasberen worden incidenteel gevangen door wolf, lynx, vos, wilde kat of oehoe. In Noord-Amerika zijn grotere roofdieren zoals de poema belangrijke predatoren.
De belangrijkste doodsoorzaken van wasberen zijn honger, uitputting of ziekte. Maar ook sterfte door jacht en verkeer komt veel voor. Vaak wordt de wasbeer bij het zoeken naar aas op wegen zelf een verkeersslachtoffer.
De wasbeer staat sinds 2016 op de Unielijst van invasieve soorten. Dit betekent dat de soort niet in de EU mag worden gehouden of verhandeld. Verder geldt voor lidstaten de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen, te verwijderen of, als dat niet lukt, zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. De wasbeer ontbreekt op de Huis- en hobbydierenlijst (de positieflijst).
Impact op inheemse natuur
De wasbeer is een invasieve exoot en is op grond van schuilplaats en voedsel een concurrent van inheemse roofdieren als vos en das. Daarnaast is de soort een predator van onder meer amfibieën, reptielen en vogels. Wasberen die in de directe omgeving van mensen leven kunnen daar flinke overlast veroorzaken. Denk daarbij aan het doden van kleine huisdieren, het leeghalen van vuilnisbakken of het binnendringen van huizen. Wasberen kunnen ook besmet zijn met de wasberenspoelworm, wat een gezondheidsrisico kan zijn voor mensen.
Het is om deze redenen niet wenselijk dat de wasbeer zich in Nederland vestigt.
Zicht
De wasbeer heeft een verborgen, grotendeels nachtelijke, leefwijze en is moeilijk waar te nemen. Zelfs waar wasberen in hoge dichtheden voorkomen, worden ze weinig gezien.
Sporen
- Vraatsporen
Vraatsporen van de wasbeer zijn doorgaans niet of zeer moeilijk te onderscheiden van die van andere zoogdieren of vogels.
- Uitwerpselen
Uitwerpselen van de wasbeer zijn 7,5-15 cm lang en tot 1,5-2 cm breed. De kleur hangt af van het gegeten voedsel en varieert van zwart tot roodbruin, soms grijswit (door botresten). Ze zijn scherp geurend, korrelig van structuur en kunnen onregelmatig van vorm en sterk gesegmenteerd zijn. Het uiteinde is niet puntig, maar lijkt afgebroken. De uitwerpselen lijken op die van een kleine hond. In het voorjaar worden de uitwerpselen verspreid gedeponeerd en in de rest van het jaar worden hiervoor latrines gebruikt. Deze latrines bevinden zich vaak voor de dagrustplaats, in bomen, op boomstronken, op uitsteeksels of terreinverhogingen.
- Loopsporen
De loopsporen van de wasbeer zijn gemakkelijk te herkennen door de kenmerkende vingerachtige voorteenafdruk. Afdrukken van de voorvoet van de wasbeer zijn 45-50 mm lang en 35-40 mm breed. De voorvoetafdrukken zien er vaak uit als handjes met gespreide vingers. De afdrukken van de achtervoet zijn 50 mm (100 mm incl. hiel) lang en 45-60 mm breed. In de smalle achtervoetprent is vaak de hiel te zien en de tenen staan meer bijeen. Bij zowel de achtervoet als voorvoet is vaak de afdruk van de nagels goed te zien. De zool is onbehaard. In stap is de afstand tussen de verschillende afdrukken 35-40 cm en komt de achtervoet gedeeltelijk op de voorvoet. Bij draf is de afstand 15 cm en worden de achtervoet en voorvoet paarsgewijs, schuin naast elkaar, afgedrukt. In galop ontstaan viersprongen, waarbij de achtervoeten voor de voorvoeten terecht komen en is de afstand tussen de verschillende afdrukken 70-80 cm. Een sleepspoor van de staart ontbreekt.
Geluid
De wasbeer maakt weinig geluid. Hij kan kwetterende geluiden, korte melodieuze ratels bij opwinding of grommende en blazende katachtige geluiden bij angst en gevechten maken. Ook korte scherpe hondachtige blafgeluiden en lang aangehouden uilachtige roepen komen voor. Jonge dieren maken vrij veel geluiden en kunnen janken of jankend schreeuwen, vooral als ze alleen zijn.
Waarnemingen doorgeven
Wereld
Van oorsprong komt de wasbeer voor in Noord- en Midden-Amerika, van het zuiden van Canada tot in Panama. Vanaf de jaren 1930 werd hij voor de pelsdierfokkerij, in dierentuinen en als huisdier ingevoerd in Europa, Azië (Rusland, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan, N-Iran, Japan) en op enkele Caribische eilanden.
Europa
De eerste vrij levende Europese populaties werden gesticht in Duitsland. In 1934 werden rond de Edersee enkele dieren vrijgelaten, en in 1945 ontsnapten in de buurt van Berlijn 25 dieren uit een fokkerij. Deze dieren stonden aan de basis van de Duitse populatie, die zich over vrijwel heel Duitsland heeft uitgebreid. Ook in Noord-Frankrijk ontsnapten in 1966 wasberen. Dit leidde tot een gevestigde Noord-Franse populatie. Behalve in Duitsland, komt de wasbeer inmiddels voor in alle omringende landen: Polen, Tsjechië, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk, België, Nederland en Denemarken. Daarnaast zijn er kleinere populaties in Italië en Spanje. De Midden-Europese populatie breidt zich momenteel verder uit en heeft ook aansluiting gevonden met de Noord-Franse populatie. Een grote populatie bevindt zich ook in Wallonië (de Ardennen). In Vlaanderen is het aantal wasberen sinds 2015 aan een opmars bezig. Ontsnappingen en loslatingen zorgen tevens voor losse meldingen in enkele aantal andere Europese landen.
Nederland
Al in de jaren 1970-1980 waren er vermoedelijk kleine populaties wasberen aanwezig op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Deze verdwenen echter weer en ook het aanvankelijk toenemende aantal in Limburg waargenomen wasberen tot in de jaren 1990, naam daarna af. Wel kwamen er incidentele meldingen uit vrijwel alle provincies. Vanaf 2016 lijkt er een toename van het aantal meldingen plaats te vinden, vooral in Limburg. Deze toename houdt mogelijk deels verband met de opkomst van waarnemingenplatforms, zoals waarneming.nl, telmee.nl en het wasberenmeldpunt.
Door de lage dichtheden sterven lokaal gevestigde populaties soms weer uit, terwijl door aanwas uit Duitsland weer nieuwe populaties kunnen ontstaan. Als gevolg hiervan zijn meldingen van de wasbeer geconcentreerd in een brede grensstrook met Duitsland in de provincies Limburg en Gelderland.
De wasbeer staat sinds 2016 op de Unielijst van invasieve soorten.
De wasbeer ontbreekt op de Huis- en hobbydierenlijst (de Positieflijst).
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Carnivora (Roofdieren)
Familie: Procyonidae (Wasberen)
Geslacht: Procyon
Soort: Procyon lotor
-
2025 Rapportages onderzoek
Op zoek naar kansrijke beheerstrategieën voor wasberen (Procyon lotor) in Nederland
-
2025 Losse artikelen - Lutra
The rise of the raccoon (Procyon lotor) in Flanders, Belgium: chronicle of a predicted evolution
-
2024 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten, Wasberenmeldpunt 2019-2024
-
2024 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 45
-
2023 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten 2021-2022
-
2022 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten, 2021
-
2022 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten, 2020-2022
-
2022 Rapportages onderzoek
The raccoon in Limburg, period 2019-2022 (ENG)
-
2022 Rapportages onderzoek
De wasbeer in Limburg, periode 2019-2022
-
2021 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten 2019 - 2020
-
2021 Losse artikelen - Telganger
Verspreidingsonderzoek Exoten 2021
-
2021 Rapportages onderzoek
Eindrapport 'Wasberen vangen in Limburg'
-
2021 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 36
-
2020 Rapportages onderzoek
Effectiviteit wasberen vangen in Limburg
-
2019 Rapportages onderzoek
NEM Meetprogramma Exoten 2019
-
2019 Rapportages onderzoek
NEM Meetprogramma Exoten 2019
-
2018 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 25
-
2017 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 18
-
2015 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 13
-
2013 Kijk op Exoten
Kijk op Exoten 6
-
2012 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 23 / nr. 4 / winter 2012
-
2012 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 23 / nr. 2 / zomer 2012
-
2008 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 19 / nr. 3 / oktober 2008
-
1995 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 06 / nr. 4 / december 1995
-
1992 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 03 / nr. 1 / maart 1992
-
1990 Tijdschrift Zoogdier
Zoogdier / jaargang 01 / nr. 2 / juli 1990