Rosse woelmuis

Rosse woelmuis (© Dick Klees)

De rosse woelmuis (Myodes glareolus) behoort tot de Woelmuisachtigen. Het heeft een kastanje tot roodbruine rugvacht, de flanken zijn grijzig met een rode glans en de buikzijde is geel of gebroken wit. Verwarring met andere woelmuizen kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De rosse woelmuis heeft een kastanje tot roodbruine rugvacht, de flanken zijn grijzig met een rode glans en de buikzijde is geel of gebroken wit. Sommige rosse woelmuizen zijn bleek zandkleurig. Bij jonge dieren is de vacht veel grijzer van kleur. In de winter is de vacht langer, voller en roder. De rosse woelmuis heeft korte poten met aan de voorvoet vier tenen en aan de achtervoet vijf. Zijn kop is voor een woelmuis relatief lang en spits. De rosse woelmuis heeft grote donkere ogen, duidelijk zichtbare oren en een roze neusspiegel met lange snorharen. Zijn staart is redelijk lang (35 tot 60% van de kop-romplengte) en tweekleurig; boven donker en onder wit.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 80-135 mm
lengte staart: 35-72 mm
gewicht: 12-40 g
Rosse woelmuizen op eilanden zijn groter dan die van het vasteland.

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de rosse woelmuis ligt in grote delen van Europa. Hij ontbreekt in Noord-Scandinavië, Ierland, Midden- en Zuid-Spanje, Zuid-Italië en de Balkan. Oostwaarts komen ze voor tot in China en Mongolië. In de Alpen komen ze voor tot 2400 meter hoogte.

In Nederland komt de rosse woelmuis in vrijwel het hele land voor. Op enkele Zeeuwse eilanden komt de soort nagenoeg niet of in zeer kleine dichtheden voor. Ook in het noorden van Groningen en Friesland, Flevoland en grote open (polder)gebieden komt de rosse woelmuis sporadisch voor.

De rosse woelmuis leeft bij voorkeur in loof- en gemengd bos met daaronder een struik- of kruidlaag, maar hij komt ook voor in jonge aanplant en in naaldbos. Ook leeft hij in houtwallen, heggen, bosranden en parken. Hij waagt zich zelden in open gebieden zonder beschutting.

 

Leefwijze en voedsel

De rosse woelmuis is zowel 's nachts als overdag actief, maar in de zomer voornamelijk ’s nachts. Ook in de winters is hij actief, want hij houdt geen winterslaap. Hij kan goed klimmen en rennen. Hij is niet schuw en laat zich regelmatig zien. De rosse woelmuis maakt gebruik van routes door het kreupelhout, ondiepe ondergrondse gangen en voldoende dichte ondergroei. De routes lopen kriskras door zijn territorium en hij gebruikt ze om te foerageren of te vluchten voor roofdieren. Hij graaft minder dan andere woelmuizen maar legt toch gangen aan.

De rosse woelmuis eet voornamelijk plantaardig voedsel zoals zachte zaden, vlezige vruchten, bladeren, kruiden en boomschors (tot op vijf meter hoogte). Maar ook paddenstoelen, mossen, wortels, noten, knoppen, gras en ook insecten, wormen en slakken worden gegeten. De rosse woelmuis past zijn menu aan het seizoen aan: groene plantendelen in het voorjaar, zaden in de herfst en winter, dierlijk voedsel enkel in de zomer. Jonge dieren eten minder zaden dan oudere dieren.

De rosse woelmuis neemt het voedsel vaak mee naar zijn hol om het daar op te slaan of veilig op te eten. Waar de ondergroei voldoende dicht is, foerageert hij dag en nacht via een netwerk van gangen door de planten of in de grond. In de herfst legt de rosse woelmuis kleine voedselvoorraden aan in ondergrondse kamers in zijn gangenstelsel, maar ook in boomholten, vogelnesten en onder takken, puinhopen of platte stenen. Ze slaan hier noten en andere plantendelen op.

 

Territorium en verblijfplaats

De grootte van het leefgebied van vrouwtjes varieert van 500 tot 1100 m2, dat van mannetjes van 800 tot 5000 m2. Vrouwtjes wagen zich zelden verder dan een meter of vijftig van hun hol, mannetjes gaan wat verder. Afhankelijk van het seizoen en het voedselaanbod leven er van 5 tot meer dan 100 dieren per hectare. In kleine gebieden met een grote populatie en voldoende voedsel kunnen de territoria overlappen.

De rosse woelmuis maakt een bolvormig nest van bladeren, mos, gras en veertjes. Hij maakt zijn nest in een hol onder de grond. Dit nest heeft een duidelijke ingang en vanuit het nest loopt een systeem van gangen. De gangen hebben een doorsnede van 10 cm. Meestal ligt dit nest zo'n twee tot tien centimeter (maximaal 45 cm) onder de grond onder boomwortels of omgevallen bomen. Het nest waarin de jongen worden geboren kan in een boomholte of spleet liggen, maar meestal ligt het in een kamer die via een gang te bereiken is.

 

Voortplanting en leeftijd

Het voortplantingsseizoen van de rosse woelmuis begint tussen februari-april en loopt tot september-oktober. Vrouwtjes zijn in die periode territoriaal, mannetjes niet. Na een draagtijd van 18-24 dagen, worden 2 tot 7 jongen geboren. Een jong weegt bij de geboorte zo'n twee gram. Enkel de moeder zorgt voor de jongen. Aanvankelijk hebben de jongen een grijzige vacht. De zoogtijd duurt veertien dagen en verlaten het nest wanneer ze zelfstandig zijn (rond 25-30 dagen). Vrouwtjes kunnen na 1 tot 2 maanden geslachtsrijp zijn, maar jongen uit late worpen planten zich meestal pas na de winter voort. Vrouwtjes krijgen meestal drie tot vier worpen per jaar.

De rosse woelmuis wordt gemiddeld 3 maanden, maximaal 18 maanden oud en tot 40 maanden in gevangenschap. De soort kan explosief groeien in 1 jaar; toch sterft meer dan 50% al binnen enkele maanden.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de rosse woelmuis zijn vooral roofvogels (kerkuil, ransuil, bosuil, torenvalk, sperwer) en kleine roofdieren (wezel, hermelijn, vos, huiskat).

Belangrijk bij het in stand houden van een populatie rosse woelmuizen is dat geschikte terreinen niet te ver van elkaar liggen en niet te klein worden. Om zich te handhaven hebben ze een minimale grootte van de populatie en leefgebied nodig. Ze hebben namelijk een gering concurrentie- en migratievermogen (water vormt een barrière), waardoor (her)kolonisatie moeilijk is voor de rosse woelmuis.

Waarnemen

>

Geluid

De rosse woelmuis is meestal stil. Hij kan echter ook korte diepe, trillende of piepende geluiden, zangvogelachtig gekwetter en ultrasone geluiden maken.

 

Vraatsporen

Knaagsporen van de rosse woelmuis kunnen worden aangetroffen op hazelnoten, walnoten, beukennootjes of eikels. Aangevreten eikels zijn in de herfst te vinden op beschutte plekjes zoals in nisjes onder boomwortels en onder overhangende graspollen. Ook laat de rosse woelmuis bij het eten van het vruchtvlees van rozenbottels (restanten van) de zaadjes achter. Aangeknaagde bramen en maïskolven, vaak nog aan de stengel, kunnen ook het werk zijn van de rosse woelmuis. Aan de voet van loof- of naaldbomen kunnen eetplaatsjes gevonden worden waar de rosse woelmuis boomknoppen heeft gegeten. Vooral wanneer bij vlier ook de schors is aangevreten, is dit het werk van rosse woelmuis.

De rosse woelmuis beknaagt de schors van loofbomen, naaldbomen met een zachte schors en hulst en klimt daarbij hoger dan andere woelmuizen. Ze eten alleen de bastlaag en onder de boom zijn de afgebeten schorsdeeltjes als neergedwarrelde snippers te vinden. In het beknaagde oppervlak zijn fijne krasjes van hun tanden (1-2 mm breed) in het achtergebleven dunne, bruine laagje bastrest te vinden.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de rosse woelmuis zijn 2-3 mm in doorsnede en 4-7 mm lang. Ze zijn cilindervormig en hebben meestal stompe polen. De kleur is minder groen dan bij andere woelmuizen, eerder bruin tot zwart. Ze zijn te vinden op looppaadjes en tunneltjes in de vegetatie, vooral op kruispunten. Ze zijn echter moeilijk te onderscheiden van andere muizensoorten.

 

Loopsporen

De rosse woelmuis loopt meestal in stap, waarbij de achtervoet achter de voorvoet terechtkomt. De voorvoet is 9mm lang en 7 mm breed en heeft vier tenen en de achtervoet is zowel 13 mm lang als breed en heeft vijf tenen. De loopsporen van de rosse woelmuis zijn echter moeilijk van andere woelmuissoorten te onderscheiden.

 

Zicht

Rosse woelmuizen zijn, met name in het voorjaar, vaak overdag, op zonnige plaatsen te zien, waarbij ze zich door het geritsel verraden.

 

Vangen

Rosse woelmuizen zijn zeer gemakkelijk met live-traps of vallen op takken in bomen te vangen. Ook met live-traps die op de grond worden geplaatst, is de rosse woelmuis goed te vangen.

 

Braakballen

In braakballen van kerkuil en bosuil worden restanten aangetroffen, maar het betreft een klein percentage van het aantal prooien. Ook in nestkasten worden rosse woelmuizen gevonden.