Veelgestelde vragen over VleerMUS
De aanpak van VleerMUS is in eerste instantie gericht op het meten van akoestische activiteit, als proxy van de populatieontwikkeling van een aantal doelsoorten, en op het uiteindelijk verzamelen van voldoende waarnemingen om een trend in die akoestische activiteit te kunnen vaststellen.
De doelsoorten van VleerMUS zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Voor de gewone dwergvleermuis worden vrijwel overal voldoende waarnemingen verzameld om een trend te kunnen bepalen. In sommige gebieden is er voor de laatvlieger of de ruige dwergvleermuis meer geduld nodig, als er van die soorten weinig waarnemingen verzameld worden.
De rosse vleermuis wordt soms voldoende vaak waargenomen om een trend te bepalen. Andere soorten zoals tweekleurige vleermuis, bosvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis en watervleermuis worden ook opgepikt, maar veelal niet voldoende om er een trend voor het specifieke SMP van af te kunnen leiden.
Waarnemingen van alle soorten worden met de Batlogger automatisch verzameld. Indien gewenst door de opdrachtgever, worden niet alleen de doelsoorten, maar ook de niet-doelsoorten op naam gebracht. Van deze soorten worden op deze manier verspreidingsgegevens verzameld.
Lees hier meer over hoe VleerMUS in zijn werk gaat.
Dit verschilt in de praktijk per VleerMUS-project. Sommige gemeentes werken samen met een lokale (vleermuis)vrijwilligersgroep, die de routes fietsen. Binnen een paar VleerMUS-projecten worden de routes gefietst door medewerkers van de woningcorporatie of de gemeente. En binnen verschillende VleerMUS-projecten wordt een extern bureau ingehuurd die de routes fietsen. De opdrachtgever is verantwoordelijk voor het uitvoeren dan wel laten uitvoeren van de tellingen. De Zoogdiervereniging heeft hierin een coördinerende rol en zorgt ervoor dat de mensen die de routes fietsen duidelijk weten wat er van ze verwacht wordt.
Het mooie aan de Batlogger, het apparaat waarmee de data verzameld worden, is echter dat je geen vleermuiskennis nodig hebt om de geluiden te verzamelen. Zolang je weet hoe je het apparaat moet bedienen, zet je het aan, rijd je de route en worden automatisch de geluiden van passerende vleermuizen geregistreerd. Degenen die dit willen kunnen vervolgens langzamerhand meer leren van de met VleerMUS gemonitorde soorten, de techniek van het monitoren en van het herkennen van soorten.
De kosten voor een VleerMUS-project hangen af van het aantal routes en de wensen van de opdrachtgever (denk aan eventuele huur van apparatuur, het wel of niet op naam brengen van de geluiden van de niet-doelsoorten, eventuele geluidencursussen aan vrijwilligers die routes fietsen, of er al trendanalyse wordt uitgevoerd e.d.). Neem voor een vrijblijvende offerte contact op met de Zoogdiervereniging via vleermus@zoogdiervereniging.nl.
VleerMUS is opgezet vanuit de wat grotere gemeentes. In een wat grotere gemeente kunnen verschillende VleerMUS-routes worden uitgezet, wat de kans vergroot dat er na een aantal meetjaren voldoende gegevens worden verzameld voor een statistisch betrouwbare trend. Voor een kleine gemeente is het belangrijk om ook de omgeving eromheen te bemonsteren qua routes.
Omdat vleermuizen, zeker in vergelijking tot andere gebouwbewonende soorten, gebruik maken van een groter en variabel gebied als woonhabitat, is het belangrijk om de populatie te monitoren over een groter gebied. Hun netwerk van verblijfplaatsen (en routes en foerageergebied) ligt in dat grotere gebied. Binnen het netwerk is er sprake van een natuurlijke schommeling en verloop in het gebruik van individuele verblijfplaatsen en locaties. Denk hierbij aan een soort waterbedeffect. Zeker na ruimtelijke ingrepen en uitvoeren van maatregelen (zoals onder SMP’s gebeurt) is het aannemelijk dat de dieren uitwijken naar andere locaties en de nieuw aangeboden voorzieningen pas later weer worden opgenomen in hun netwerk en onderdeel worden van hun woonhabitat. Door de ruimere omgeving mee te nemen, is het mogelijk om te volgen hoe de lokale populaties zich ontwikkelen en reageren op de veranderingen in de bebouwde omgeving.
Een kleine gemeente, waar bijvoorbeeld maar één of twee routes uitgezet kunnen worden, zal niet meteen binnen een aantal meetjaren voldoende data ter beschikking hebben voor een statistisch betrouwbare trend binnen het gebied van de gemeente. Maar de trend kan (zelfs bij N=1 / een route) wel vergeleken worden met de trend in de ruimere omgeving. Vergelijk het bijvoorbeeld met het geboortegewicht van één baby (N=1) die wordt vergeleken met de trend van het landelijk gemiddelde geboortegewicht van alle baby’s bij het consultatiebureau. Ook daar kan met een kleine steekproef wel bekeken worden of de uitkomst afwijkt van het grotere plaatje. Dit geldt voor een kleine gemeente en VleerMUS net zo. Ook met een kleine gemeente kan het dus waardevol zijn om met VleerMUS te monitoren. Bij vragen of uw gebied geschikt is voor VleerMUS-monitoring, kunt u contact opnemen met de Zoogdiervereniging via vleermus@zoogdiervereniging.nl.