Hoe gaat VleerMUS in zijn werk?
Globaal worden binnen VleerMUS de volgende stappen doorlopen:
Stap 1: Voorbereiding
Er vindt een vooroverleg plaats, er wordt een inschatting gemaakt van het aantal benodigde routes en het aantal in het beschikbare landschap realiseerbare routes, er wordt een offerte opgesteld, de routes worden ingetekend, de dataopslag wordt voorbereid, de uitvoerende partij wordt geworven en geïnstrueerd over de dataverzameling, en (na het voorfietsen door de uitvoerende partij) worden de routes eventueel nog aangepast en daarna definitief gemaakt. Ook kunnen er bij de Zoogdiervereniging eventueel Batloggers gehuurd worden en is er instructie en aandacht voor de juiste instellingen van de Batloggers.
Stap 2: Dataverzameling
Tussen half juli en half september worden de routes binnen 14 dagen 3 maal door de uitvoerende partij gefietst. De Zoogdiervereniging ondersteunt waar nodig. Na dataverzameling wordt de data binnengehaald en geordend.
Stap 3: Data- en tellingencontrole
De binnengekomen data wordt per route opgeslagen, waarna elke route wordt gecontroleerd (op datumgrenzen en starttijd, correcte instellingen apparatuur tijdens gebruik, juiste start- en eindlocatie, correct volgen van de route, en gps-coördinaten van de geluidswaarnemingen). De uitvoerende partij ontvangt hier ook feedback over zodat eventuele fouten (incorrect gebruik van de apparatuur of het volgen van protocollen) voor volgende metingen verbeterd kunnen worden. Vervolgens wordt er per route bepaald of de tellingen zijn goedgekeurd en of deze worden gebruikt in de verdere data-analyse. Als laatste stap worden er kaarten gemaakt van de gereden routes.
Stap 4: Geluidsanalyse
De opgenomen geluiden worden per telling ingeladen in het programma BatExplorer. Eerst worden de stoorgeluiden geïdentificeerd, dan worden de geluidswaarnemingen van vleermuizen op naam gebracht. Alle opnames van de doelsoorten worden (indien de kwaliteit van de opname dit toelaat) op soortniveau gedetermineerd. Waarnemingen van niet-doelsoorten worden tot op familienaam of verzamelgroep gedetermineerd. Indien gewenst kunnen de waarnemingen van niet-doelsoorten ook op soortniveau worden gedetermineerd. Lastige geluiden worden standaard door een tweede persoon beoordeeld.
Stap 5: Dataverwerking- en analyse
Op basis van de afstand tussen waarnemingen van een soort op een route wordt door middel van een geautomatiseerd proces bepaald welke waarnemingen als afhankelijk en onafhankelijk beschouwd kunnen worden. Vervolgens worden de waarnemingen gevisualiseerd in tabellen en kaarten. Op basis van het aantal afgelegde routes en de resultaten daarvan wordt bepaald of er voldoende onafhankelijke waarnemingen zijn om een statistische trendanalyse te kunnen maken. Alle ruwe data en uitgewerkte BatExplorer-projecten worden duurzaam opgeslagen. Alle tot op soort gedetermineerde waarnemingen worden doorgezet naar de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
Stap 6: Rapportage
Alle resultaten worden verwerkt in een jaarlijkse voortgangsrapportage. Na interne kwaliteitscontrole wordt deze naar de opdrachtgever gestuurd. De opdrachtgever kan op- of aanmerkingen doorgeven op het conceptrapport. Nadat deze verwerkt zijn wordt het definitieve rapport verstuurd aan de opdrachtgever.
Stap 7: Trendanalyse
Wanneer er na een aantal meetjaren voldoende gegevens beschikbaar zijn om een statistisch onderbouwde trendanalyse te kunnen doen, worden de data geleverd aan het CBS. Na hoeveel jaar een trend significant zal zijn is o.a. afhankelijk van de totale routelengte en het aantal waarnemingen dat per soort wordt verzameld. Voor de trendanalyse worden door het CBS de aantallen vleermuizen omgerekend naar aantallen per gereden kilometer per jaar, zodat er wordt gecorrigeerd voor het aantal bezoeken en de routelengte. De trend voor VleerMUS wordt op eenzelfde manier berekend als voor het landelijke meetprogramma NEM-VTT. Hierdoor kan de trend van de doelsoorten in een VleerMUS-projectgebied niet alleen worden vergeleken met de landelijke VleerMUS-trend (trend die per soort wordt gegenereerd uit alle VleerMUS-data van de VleerMUS-projecten tezamen) maar ook met de landelijke trend uit NEM-VTT. Als in een provincie veel VleerMUS-routes worden gefietst, is het ook mogelijk om een provinciale VleerMUS-trend te berekenen. Hoe meer routes in een regio worden gefietst, hoe makkelijker het is om een statistisch betrouwbare trend op te stellen en om trapsgewijs gebieden met elkaar te kunnen vergelijken. Op die manier kan bijvoorbeeld een projectgebied worden vergeleken met een regionale trend, een provinciale trend of een landelijke trend.
Uit de combinatie van de trend en het betrouwbaarheidsinterval volgt vervolgens een trendclassificatie. Daarbij worden de in Tabel 1 weergegeven uitgangspunten gehanteerd:
Tabel 1: criteria voor de trendclassificatie.
| ++ | Sterke toename | = | De trend minus de Standard Error (SE) is gelijk aan of groter dan 1.05 |
| + | Matige toename | = | De trend minus de SE is groter dan 1.01, maar niet meer dan 1.05 |
| 0 | Stabiel | = | De trend plus/minus de SE ligt tussen de 0.99 en 1.01 |
| - | Matige afname | = | De trend plus de SE is kleiner dan 0.99 maar niet kleiner dan 0.95 |
| -- | Sterke afname | = | De trend plus de SE is kleiner dan 0.95 |
| ~ | Onzeker | = | De SE is groter dan de geschatte trend, zodat de trend plus/minus de SE, de bandbreedte waarbinnen de trend met 95% zekerheid ligt, zowel positief als negatief kan zijn. Bij een geschatte positieve trend, kan die dus ook negatief zijn, en bij een geschatte negatieve trend, kan die ook positief zijn. Daardoor is het onzeker of de populatie toeneemt, afneemt of juist stabiel is. |