Op zoek naar kansrijke beheerstrategieën voor wasberen (Procyon lotor) in Nederland
Achtergrond
De invasieve uitheemse wasbeer (Procyon lotor) komt als gevolg van ontsnappingen, maar ook als gevolg van bewuste uitzettingen, tegenwoordig in een groot deel van Europa voor. Vanuit een ecologisch perspectief wordt dit als ongewenst beschouwd. De wasbeer is een terrestrisch, middelgroot zoogdier dat graag in de buurt van vochtig habitat zoals beekdalen en moerasgebieden leeft. Als generalistische omnivoor is de wasbeer een alleseter. De negatieve effecten van wasberen bestaan uit predatie van kwetsbare soorten (ecologisch), overlast voor mensen en potentiële verspreiding van zoönosen (gevaar voor de volksgezondheid). In 2016 is de wasbeer opgenomen op de Europese Unielijst van invasieve exoten (EU-Verordening nr. 1143/2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten). EU-lidstaten zijn verplicht om het ontstaan van een populatiewasberen op hun grondgebied vroegtijdig te detecteren, om deze op te sporen en, indien mogelijk, te verwijderen of om gevestigde wijdverspreide populaties te beheren zodat ongewenste effecten veroorzaakt door deze soort zo veel mogelijk worden voorkomen. Sinds eind 2017 komt er een wasberenpopulatie voor in de provincie Limburg, maar ook elders in Nederland worden in toenemende mate wasberen gesignaleerd. Het bestrijden van de meeste Europees aangewezen invasieve exoten, waaronder de wasbeer, is in Nederland grotendeels een provinciale verantwoordelijkheid. Op dit moment is in Nederland vooral sprake van populatievorming in Limburg, maar ook in andere provincies worden recentelijk wasberen met jongen waargenomen. Verwijdering van de wasberenpopulatie bij een langdurige en gecoördineerde aanpak wordt op dit moment nog als haalbaar ingeschat. Daarom is het de ambitie van de Rijksoverheid met betrekking tot de wasbeer om een nulstand te verkrijgen.
Doel
Voor de Nederlandse situatie geldt dat populatievorming door wasbeer vooralsnog alleen in de provincie Limburg aan de orde is. De strategieën zijn daarom opgesteld met de Limburgse situatie als uitgangspunt. Toch zijn de uitkomsten van dit onderzoek ook bruikbaar voor situaties elders in Nederland wanneer daar sprake zal gaan zijn van populatievorming. De haalbaarheid van uitroeiing van de wasberenpopulaties in Nederland op de lange termijn is onzeker, omdat bestrijding van de soort moeilijk is en ook omdat wasberen binnenkomen uit buurlanden. Om die reden wordt door de overheid gezocht naar geschikte beheerstrategieën die kansrijk zijn voor de lange termijn en een aanvulling kunnen vormen op de twee huidige vormen van bestrijding: vangen door een gespecialiseerd vangteam en afschot door jagers en beverrat- en muskusratbestrijders van het Waterschap. Tevens is in het voorliggende project gezocht naar geschikte locaties waar een grensoverstijgende pilot naar het beheer van wasberen kan worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met buurlanden of buurregio’s van Nederland. De doelgroep van dit rapport bestaat uit beleidsmakers, ecologen, natuurbeheerders, wasberenbestrijders en andere geïnteresseerden.
Methode
In dit project zijn beheerstrategieën voor wasberen geïdentificeerd en beoordeeld op hun haalbaarheid op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur, deelname aan wetenschappelijke symposia en geraadpleegde kennis bij nationale en internationale experts. Tijdens werksessies met acht experts zijn alle strategieën beoordeeld aan de hand van twaalf beoordelingscriteria (huidige technische haalbaarheid en technische haalbaarheid op lange termijn, baten voor biodiversiteit op de korte en lange termijn, juridische haalbaarheid, financiële haalbaarheid, welzijn van wasbeer, maatschappelijk draagvlak, milieu-impact, kans op ongewenste neveneffecten, baten voor de volksgezondheid en haalbaarheid van de doelstelling van het benaderen van een nulstand), op basis van consensus. Na de beoordeling van de (combinatie van de) meest kansrijke strategieën zijn praktische aanbevelingen opgesteld voor het opstellen van een mogelijk grensoverstijgend pilotproject. De eerste resultaten zijn gepresenteerd en bediscussieerd tijdens de Expertbijeenkomst (Expertmeeting Raccoons, 23 september 2024 in Brussel). Hieraan namen 39 personen deel, verdeeld over vijf landen: België (n=13), Duitsland (n=6), Frankrijk (n=2), Luxemburg (n=3), en Nederland (n=13). Ook werd de Europese Commissie vertegenwoordigd door twee personen. Naar aanleiding hiervan zijn de resultaten verder verbeterd.
Resultaten
Naast de twee beheerstrategieën voor wasberen die momenteel het huidig beleid vormen (1. Huidig beleid: afschot door jagers en bijvangst muskus- en beverratbestrijders van het Waterschap, 2. Huidig beleid: gespecialiseerd bestrijdingsteam met aselectieve vallen) zijn acht aanvullende ‘nieuwe’ strategieën uitgewerkt en beoordeeld(3. Selectieve anticonceptie: immunocontraceptieve vaccins, 4. Selectieve anticonceptie: orale toediening, 5. Vangen, steriliseren en vrijlaten (TNR), 6. Selectieve ’slimme’ vallen - mechanisch, 7. Selectieve ‘slimme’ vallen - met beeldherkenningssoftware, 8. Selectieve ‘slimme’ vallen- pootomsluitende vallen, 9. Mitigatie van gevoelige soorten, 10. Gene editing). Tot slot kwam de strategie van ‘Niets doen’ aan bod, waarbij geen enkele beheerstrategie wordt toegepast.
Van vijf van de elf strategieën is uiteindelijk ingeschat dat de doelstelling van het benaderen van een nulstand in meer of mindere mate kan worden behaald. Dit gaat om de volgende vijf beheerstrategieën: huidig beleid: afschot door jagers, huidig beleid: gespecialiseerd team (vangen met aselectieve vangkooi/kastval), selectieve vallen: mechanisch, selectieve vallen: met beeldherkenningssoftware en selectieve vallen: pootomsluitende vallen. De strategie mitigatie van gevoelige soorten (bijv. boommanchet, wasbeer-werende nestkasten of elektrische afrasteringen voor bescherming van kwetsbare soorten) wordt gezien als een geschikte aanvullende ‘no-regret’-maatregel op de voorgenoemde strategieën. Maar indien enkel op mitigatie van gevoelige soorten wordt ingezet als beheerstrategie dan wordt deze als ontoereikend geacht om de doelstelling te behalen. Van de volgende strategieën is ingeschat dat ze niet toereikend zijn om één of meer redenen om de doelstelling van het benaderen van een nulstand te behalen: selectieve anticonceptie: immunocontraceptieve vaccins, selectieve anticonceptie: orale toediening, vangen, steriliseren en vrijlaten - TNR, gene editing en de strategie van niets doen. Met uitzondering van de beheerstrategie ‘mitigatie van gevoelige soorten’, geldt dat deze vijf beheerstrategieën op dit ogenblik juridisch niet uitvoerbaar zijn.
Conclusies
Een combinatie van de haalbare beheerstrategieën lijkt de beste aanpak bij de bestrijding van wasberen. Met behulp van de inzet van ‘slimme’ vallen kan de vangstefficiëntie van een professioneel vangteam verder worden geoptimaliseerd en afschot door jagers en bever- en muskustratbestrijders van het Waterschap kan hierbij een belangrijke ondersteuning vormen. Ook goed geïnstrueerde particuliere terreineigenaren en/of gemeentes kunnen het beheer ondersteunen met ‘slimme’ vallen. Nota bene, mitigerende maatregelen kunnen altijd worden gezien als ‘no-regret-maatregelen’ en kunnen zodoende altijd worden getroffen om lokale populaties van kwetsbare inheemse soorten te beschermen.
Het terugdringen van de wasbeer in Nederland zal naar verwachting alleen kans van slagen hebben wanneer de bestrijding in nauwe samenwerking en coördinatie met de buurlanden plaatsvindt. Hierop wordt ook aangedrongen in de EU Exotenverordening (art. 22). Aanbevolen wordt om als pilot een grensoverstijgende bestrijdingsaanpak op te zetten. Twee mogelijke locaties zijn hiervoor geïdentificeerd: pilotgebied 1 ligt grofweg tussen Susteren (NL) - Born (NL) - Gangelt (DU) - Heerlen (NL). Iets ten zuiden hiervan begint pilotgebied 2, dat grofweg ligt tussen Maastricht (NL) Heerlen (NL) - Aachen (DU) - Eupen (BE) - Verviers (BE) - Luik (BE). De resultaten en data uit een pilot kunnen uiteindelijk modelmatig worden ingezet om vast te stellen bij welke beheerinspanning de volledige verwijdering in Nederland wordt verkregen of hoe en wanneer dit het best benaderd kan worden.