Grote bosmuis

Grote bosmuis (© Paul van Hoof)

De Grote bosmuis (Apodemus flavicollis) behoort tot de ware muizen en kenmerkt zich door grote ogen en oren, een puntige snuit. De grote bosmuis heeft aan de bovenzijde een roest- tot kastanjebruine vacht en is aan de onderzijde (zuiver)wit. Er kan gemakkelijk verwarring optreden met de bosmuis of andere ware muizen.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De grote bosmuis heeft aan de bovenzijde een roest- tot kastanjebruine vacht en is aan de onderzijde (zuiver)wit. De twee zijden zijn met een scherpe begrenzing duidelijk van elkaar gescheiden, in tegenstelling tot de bosmuis waar de scheiding minder strak is. Hij heeft grote oren, grote zwarte ogen en een spitse neus met lange snorharen. Hij heeft achterpoten die altijd langer dan 23 mm zijn en ook langer zijn dan die van de bosmuis. De staart is lang, iets meer dan kopromplengte. De grote bosmuis heeft een gele borstvlek, die zich als een brede halsband over de hals naar de rugzijde uitstrekt. Bij de bosmuis vormt de gele borstvlek nooit een halsband. De vlek loopt niet door over de buik zoals bij de bosmuis. De grote bosmuis is gemiddeld 50% zwaarder dan de bosmuis.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 87-130 mm
lengte staart: 90-135 mm
gewicht: 18-45 g

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De grote bosmuis komt lang niet overal voor in Europa . De Oeral vormt de oostelijke grens van zijn verspreidingsgebied, Midden-Scandinavië de noordelijke grens en Griekenland de zuidelijke grens. De grote bosmuis komt ook voor in Zuid-Engeland en de Pyreneeën en in Zuid-Europa komt hij vooral voor in berggebieden.

In Nederland komt de grote bosmuis alleen voor in Zuid-Limburg en in het uiterste oosten van ons land, tussen Groningen en Winterswijk. De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij voor in bosranden met weinig ondergroei, niet te nat rietland, parken, braakliggend land, duinen, heide en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor oude open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei.

In de Alpen komt de grote bosmuis ook voor op stenige hellingen boven de boomgrens. In natte terreinen, dichte grazige vegetatie of open weilanden komt de grote bosmuis niet voor. Daar waar grote bosmuis en bosmuis tezamen voorkomen, leeft de bosmuis voornamelijk in de open gedeelten van het bos en de grote bosmuis zoekt vooral de dichtst begroeide delen op.

 

Leefwijze en voedsel

De grote bosmuis is ’s nachts actief, vooral na 2 uur ’s nachts. De grote bosmuis kan goed klimmen en springen. Soms haalt hij zijn voedsel op 6 m of hoger in bomen. Het menu van de grote bosmuis is zeer gevarieerd. Hij eet meer vethoudende zaden (boomzaden als hazelnoten en eikels) dan zetmeel bevattende zaden (graszaden). Het dieet bestaat naast zaden ook uit onder andere granen, noten, bessen en andere vruchten, jonge plantendelen, wortels en bast. In de zomer eet hij ook vlinderpoppen, kever(larven) en ongewervelde.

De grote bosmuis legt op een aantal plekken wintervoorraden aan die een behoorlijke omvang kunnen hebben. Deze bestaat doorgaans uit esdoornzaad, lijnzaad, hazelnoten en eikels. Hij transporteert graankorrels of andere zaden met meerdere tegelijkertijd in zijn mond en wangzakken. Soms gebruikt de grote bosmuis oude vogelnesten als voorraadplek, maar hij graaft ook wel ondiepe putjes waarin hij de voorraad begraaft.

 

Territorium en verblijfplaats

Zowel het mannetje als het vrouwtje grote bosmuis hebben elk een eigen leefgebied maar gedragen zich minder agressief naar soortgenoten toe dan de bosmuis. De grootte van het leefgebied hangt af van het biotoop, het seizoen en geslacht. Meestal is de grootte 5000 m2, soms wel 5 ha. De leefgebieden van de mannetjes zijn groter dan die van de vrouwtjes (tot maximaal 1 ha). Grote bosmuizen verplaatsen zich beperkt; meestal tot 1000 m of minder. De soort leeft in dichtheden van 1 tot 60 individuen per ha voor, afhankelijk van voedselaanbod en biotoop.

De grote bosmuis bouwt een nest als verblijfplaats. Het nest bekleden ze met bladeren en mos en bevindt zich meestal onder wortelstronken van grote bomen ondergronds. Soms zijn nesten te vinden in spleten in rotsen of in nestkasten. Ze graven zelden zelf een hol maar gebruiken holen van onder andere mol, konijn, woelmuizen of das. In de voortplantingstijd graaft het vrouwtje ook andere muizenholen verder uit.

 

Voortplanting en leeftijd

De voortplantingsperiode loopt van maart tot oktober. Na een draagtijd van ongeveer 3½ week worden 5 (3-8) jongen geboren. De jongen worden kaal geboren, maar krijgen al snel een grijze vacht en na ongeveer twee weken wordt de gele halsband zichtbaar. Na circa 18 dagen verlaten de jongen het nest. Het geluid dat jonge muizen maken, trekt behalve de moeder ook andere volwassen vrouwtjes aan. Een moeder grote bosmuis brengt te ver van het nest afgedwaalde jongen weer terug naar het nest. Een vrouwtje krijgt 2 tot 3 keer per jaar een worp. Jonge vrouwtjes die vroeg in het jaar geboren zijn, kunnen hetzelfde jaar al een nest krijgen.

Een grote bosmuis wordt gemiddeld 4 maanden, maximaal 1,5 jaar oud. De meeste dieren sterven in de winter. In gevangenschap kan de grote bosmuis 5 jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de grote bosmuis zijn onder andere wezel, hermelijn, das, marter, vos, kat, steenuil, bosuil, velduil, kerkuil, ransuil en torenvalk.

Waarnemen

>

Geluid

De grote bosmuis maakt zachte piepende geluiden. Bij angst maakt hij een korte hoge gil. Met soortgenoten onderling maken grote bosmuizen ook ultrasone geluiden van 40-60 kHz. Jonge muizen maken geluiden van 56 tot 60 kHz. De ultrasone geluiden die hij maakt zijn te horen met een bat detector.

 

Vraatsporen

De grote bosmuis laat op veel voedselsoorten vraatsporen achter. Hij eet zijn voedsel doorgaans ter plekke op. Vraatsporen zijn onder andere te vinden op sparrenkegels, hazelnoten, beukennootjes, eikels, walnoten, rozenbottels, bramen, bessen, maïskolven, boomknoppen en bloeiwijzen. De vraatsporen zijn echter moeilijk van andere soorten knagers te onderscheiden. In het voorjaar kunnen de voedselresten van de wintervoorraad bij het hol te vinden zijn want dan werkt hij deze naar buiten.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de grote bosmuis zijn 4-6,5 mm lang en 2-3,5 mm in doorsnede. Ze hebben stompe uiteinden en zijn donker van kleur. De grote bosmuis deponeert zijn uitwerpselen op verschillende plekken, zoals op open plekken, op vegetatie of bij eetplaatsen.

 

Loopsporen

Bij loopsporen van de grote bosmuis is de voorvoet 12 mm lang en 15 mm breed en de achtervoet is 23 mm lang en 19 mm breed. Hij heeft 4 tenen aan de voorpoten en 5 aan de achterpoten. De grote bosmuis beweegt zich veel voort in sprongengalop, waarbij de achtervoeten op of voor de voorvoeten terecht komen. Vaak is er een sleepspoor van de staart te zien.

 

Vangen

De grote bosmuis kan door zijn nieuwsgierige aard makkelijk met een live-trap gevangen worden waarbij hij heel agressief en luidruchtig is.

 

Braakballen

Waar de grote bosmuis voorkomt, is hij altijd als prooirest in braakballen van bosuil, kerkuil en ransuil te vinden.