Waarde niet-doelsoorten

Rosse vleermuis (bron: Erik Korsten)
Rosse vleermuis (bron: Erik Korsten)

VleerMUS is een monitoringmethode gericht op het volgen van de populatietrends van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger specifiek in het urbane gebied. De aanpak kan echter net zo goed in het meer dorpse of landelijke gebied worden ingezet. VleerMUS wordt dan ook vaak ingezet in het kader van een Soortenmanagementplan (SMP). 

Doel en ligging van routes

Op transecten door het urbane gebied, die met de fiets worden afgelegd, wordt met automatische detectoren (in dit geval batloggers) het echolocatiegeluid van vleermuizen in hun jachtgebied vastgelegd. Veranderingen in de geregistreerde akoestische activiteit is een proxy voor veranderingen in de populatiegrootte. Er is een gestandaardiseerde aanpak van verzamelen en verwerken van verzamelde data, en er zijn uiteindelijk voldoende waarnemingen nodig om een trendberekening statistisch mogelijk te maken en liefst binnen een niet al te groot aantal jaren. Daarom worden de routes gericht geprojecteerd in landschap dat naar verwachting door de doelsoorten wordt gebruikt. 

De ligging van de routes is dus niet optimaal voor bv. het volgen van populaties van soorten als watervleermuis, meervleermuis, baardvleermuis, vale vleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, tweekleurige vleermuis, mopsvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Bovendien zijn sommige van de soorten in het algemeen te zeldzaam, of in het urbane gebied te zeldzaam, om voldoende waarnemingen vast te kunnen leggen voor een trendberekening. 

Akoestische detecteerbaarheid en determinatie niet-doelsoorten

Daarnaast zijn er grote verschillen in hoe effectief soorten akoestisch met een bat detector kunnen worden waargenomen, in het algemeen en/of met de aanpak zoals in VleerMUS. Ook dat beïnvloedt of het mogelijk is voldoende waarnemingen te verzamelen voor een trendanalyse op basis van akoestische activiteit. 

Vanuit een doelmatige inzet van middelen is het dan ook begrijpelijk dat bij de analyse van de geluidsopnames van VleerMUS-projecten specifiek gekeken wordt naar het determineren van de doelsoorten en de overige soorten niet tot op soort worden gedetermineerd. 

Bij projecten waar de opnames van ‘niet-doelsoorten’ wel tot op soort worden gedetermineerd, worden niet-doelsoorten echter wel met enige regelmaat op de VleerMUS-routes vastgelegd. En bv. in Utrecht bleken de aantallen geregistreerde rosse vleermuizen voldoende groot om een statistisch significante trend te berekenen. 

Het wel uitwerken van de niet-doelsoorten heeft dan ook zeker een belangrijke waarde voor een gemeente waarin een VleerMUS-project loopt. 

Bosvleermuis (bron: Joris Verhees)
Bosvleermuis (bron: Joris Verhees)
Voorkomen, verspreiding en trend

Ook voorkomen en verspreiding (VV) en de trend daarin (VVT) zijn immers belangrijke indicatoren van de Staat van Instandhouding (SvI) van soorten. Via de bijvangst van de VleerMUS-routes, ook al is die aanpak niet optimaal voor die soorten, krijgt de gemeente informatie over voorkomen en verspreiding van die niet-doelsoorten. Alle VleerMUS-projecten samen zijn zo ook landelijk een bron van informatie over voorkomen en verspreiding. Door de gestandaardiseerde herhaling kan dat op den duur ook informatie geven over de trend in voorkomen van – sommige – van de niet-doelsoorten op gemeentelijk, provinciaal en/of landelijk niveau. Dit geldt nog sterker in combinatie met het eveneens uitwerken van de niet-doelsoorten in andere akoestische monitoringsprogramma’s zoals NEM-Vleermuis-Transect-Tellingen en Punt-Tellingen voor meervleermuis in foerageergebied in Natura2000-gebieden.

Waarschuwingssignaal voor zeldzame soorten

Het via VleerMUS vaststellen van (regionaal) zeldzame soorten zoals tweekleurige vleermuis, meervleermuis, vale vleermuis of mopsvleermuis is daarnaast een belangrijk waarschuwingssignaal voor de gemeente. Het laat immers zien dat je in het landschap van de gemeente te maken hebt met die soorten en dat daar bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening mee moet worden gehouden. Voorkennis is beter dan tijdens een project tegen een zeldzame soort aan te lopen, met alle risico van vertraging. De soorten zijn immers geen onderdeel van het SMP en de daarbij behorende Generieke Omgevingsvergunning flora- en fauna. Ook voor de wettelijke zorgplicht voor de soorten is voorkennis beter dan de soort(en) onbewust te schaden. Bovendien geeft het de gemeente de mogelijkheid om in het SMP ook kansen voor verbetering van woon-, verbindend en voedselhabitat van die niet-doelsoort(en) te benutten en hun SvI te versterken. 

Nulwaarneming en aanvullend onderzoek 

Voor soorten die goed akoestisch kunnen worden waargenomen - de soorten/soortgroepen die je ‘had moeten oppikken als ze er waren geweest’ - worden er via de aanpak van VleerMUS bovendien ‘0-waarnemingen’ verzameld. Hierdoor worden de indicatoren VV en VVT nog sterker. Voor soorten die in ieder geval vanaf de VleerMUS-route minder goed akoestisch kunnen worden gevolgd, maar toch opduiken, geldt dat de locaties uitgangspunten kunnen zijn voor aanvullend onderzoek. Dit kan de inzet van andere methoden betreffen, maar ook aanvulling op de specifieke routes van het bestaande VleerMUS-project met bijv. extra rondes op andere momenten van avond en/of jaar, of extra rondes gericht op het specifieke habitat van de soort. Daarnaast kan het zo zijn dat er clusters van waarnemingen van zo’n niet-doelsoort opduiken. Dit kan een aanwijzing zijn van de aanwezigheid van een verblijfplaats van de soort daar waar de cluster wordt waargenomen.