De Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) in Maarssenbroek

In Maarssenbroek is een bijzonder groep vleermuizen aanwezig, een kraamroep van de tweekleurige vleermuis. De dieren wisselden tussen de jaren regelmatig van woningblok en soms van wijk. Deze groep levert af en toe overlast in de vorm van gestrande dieren in de woningen.     De aanwezigheid van de dieren in de wijk Reigerskamp of Pauwenkamp is relatief kort, meestal maar 5-6 weken. Het zwermen en invliegen gebeurt sterk verspreid over de nacht en over meerdere plekken, waardoor meerdere nachten nodig zijn om jaarlijks de verblijfslocaties terug te vinden. Het uitvliegen is zeer laat in de avond, aan het einde van de schemering, en de concrete uitvliegplekken vanuit de woning die wordt gebruikt als verblijfplaats zijn onvoorspelbaar, waardoor tellen alleen goed mogelijk is met een grote groep getrainde vrijwilligers. Getrainde vrijwilligers die het gedrag goed kennen en  ook de tweekleurige vleermuis goed aan echolocatiegeluiden kan herkennen.  
 
Geschat wordt dat in 2017 maximaal 20 tweekleurige vleermuizen aanwezig waren op Reigerskamp 727. Aan het eind van de zomer van 2017 is er een tweede verblijfslocatie gevonden in tegenoverliggend huizenblok op Reigerskamp 706. Hier verbleven enkele dieren Op een derde locatie, Reigerskamp 738. werden alleen enkele zwermde dieren vastgesteld maar konden geen in- of uitvliegende dieren worden vastgesteld.   
 
Deze groep wordt vanaf de ontdekking in 1998 jaarlijks gevolgd, maar vaak wordt de verblijfslocatie pas laat in het kraamseizoen ontdekt, wanneer een deel van de vrouwtjes de groep alweer hebben verlaten of werden er onvolledige tellingen uitgevoerd.    In enkele jaren werden tot 120 dieren geteld in andere tussen de 20-52 dieren.  Deze telgevens werden niet goed vastgelegd. De recente populatie ontwikkeling is hierdoor onbekend. 
 
Met de warmtebeeldcamera konden de exacte verblijfsplekken van de tweekleurige vleermuizen niet worden waargenomen. Mogelijk genereerde de kleine groep vleermuizen te weinig warmte om door een betonnen pan of stenen muur heen opgemerkt te worden. Een andere verklaring kan zijn dat de dieren te dichtbij locaties verbleven waar warmtelekken aanwezig waren.  Door het niet kunnen lokaliseren van dieren in de woningen kon het seizoensgebruik van de verschillende dakdelen en muurdelen niet gevolgd worden. De warmtebeeldcamera gaf wel inzicht in temperatuurzones van en lekkage vanuit de woningen. 
 
Op één avond werd een nightshotcamera ingezet. Door de grote afstand tussen de waarnemer met infrarood lichtbron en de uitvliegplekken, de geringe kijkhoek van de camera en de onvoorspelbaarheid van de uitvliegplekken leverde dit minder goede observaties op dan zonder inzet van dit hulpmiddel.  
                        
De eigenaren van de woningen Reigerskamp 725 en 727 stonden het plaatsen van dataloggers onder hun dak of in hun woning niet toe. Hierdoor zijn de dataloggers op andere plaatsen geplaatst. Twee dataloggers lagen in hetzelfde huizenblok en vier datalogger lagen in eenzelfde tegenoverliggend huizenblok. De eigenaar op 727 plaatse zelf een datalogger, maar de temperatuurgegevens geven aan dat de datalogger binnenshuis heeft gelegen. Helaas kon er geen datalogger in de spouw of in een vlieringzoldertje worden geplaatst. 
 
Gegevens van de dataloggers en de opnamen van de warmtebeeldcamera geven aan dat er in een woningblok tenminste vier en mogelijk vijf verschillende temperatuurszones te onderscheiden zijn. De ruimten / temperatuurzones verschillen in of ze op zonnige dagen wel of niet sterk opwarmen, en of ze in koude nachten, ’s avonds ‘s nachts snel of langzaam afkoelen. Daarnaast is er een kleine zone, waar de rookgasafvoerpijpen door het dak komen, waar het tijdens koude perioden 2-5 graden Celsius warmer is dan De omliggende dakdelen. De tweekleurige vleermuizen maken actief gebruik van deze verschillende temperatuurzones. Met de gebruikte onderzoektechnieken kon de volgorde van het gebruik van deze zones niet vastgesteld worden.     
 
Wel kon vastgesteld worden dat de ruimte onder de pannen op een zuidoostdak, op twee warme herfstdagen al een temperatuur van boven de 35oC bereikte. Op een zomerse dag zal de temperatuur onder deze pannen ruim boven de kritische grens voor vleermuizen van 40oC komen. Bij zeer koele dagen komt de temperatuur onder de pannen aan zowel de zuidoost als de zuidwestzijde het eind van de nacht onder de voor een kraamgroep kritische grens van 12oC . Een kraamgroep verplaatst zich dan naar ruimten die op dat moment een gunstiger temperatuur hebben. Dat is in dit geval de kleine ruimte direct om het rookgaskanaal, of de vlieringzolder/loze nokruimte.  De gevallen van dieren die in de woning opduiken lijken een reactie te zijn op een zeer snelle verandering van de buitentemperatuur in de periode dat de jonge vleermuizen waarschijnlijk meer dan 10 dagen oud zijn, maar nog niet vliegvlug zijn. Meerdere koudere dagen, tussen 20 juni en 12 juli, gevolgd door een zeer warme (zonnige) dag leidde tot minstens 5 gevallen met dieren in de woning.  Mogelijk is er maar een beperkt aantal plekken waardoor tweekleurige vleermuizen van de ene zone naar een andere temperatuurzone kunnen kruipen. Mogelijk zijn de rookgas- of ventilatie-doorlaten de enige plekken om op een te warme dag of zeer koude nacht vanonder de dakpannen in de kleine vlieringruimte te komen.  
 
Er is in Europa geen ervaring met het bouwen van een kast/voorziening die aan de temperatuureisen van een kraamgroep tweekleurige vleermuizen voldoet. Er zijn alleen enkele positieve resultaten behaald met het aanbrengen van kasten voor mannetjesgroepen tweekleurige vleermuizen in Duitsland en Oostenrijk. 
 
Er kan nog veel verbeterd worden in de wijze waarop de werkgroep de verzamelde gegevens vastlegt, dit geldt voor zowel de incidenten als de uitvliegtellingen. Ook is het goed vervolgacties bij bewoners schriftelijk vast te leggen.