Nu in Zoogdier: hoe staat het met edelherten in Nederland?

Elk kwartaal zijn in het blad Zoogdier achtergrond artikelen te lezen over bescherming van en onderzoek naar in het wild levende zoogdieren. Het zomernummer biedt inzicht in het volgen van de vleermuistrek, gebruik van warmtebeeldkijkers bij monitoring en de vraag of wolven beheerd mogen worden om stroperij tegen te gaan. Onderstaand artikel wordt aangeboden door de redactie van Zoogdier.

Het edelhert kwam tot 1600 in heel Nederland voor. Vanwege ‘schade’ aan bossen en gewassen vond steeds meer intensieve bejaging plaats. Rond 1700 waren West- en Noord-Nederland al ‘hertvrij’. Rond 1800 waren de herten ook van de hoge zandgronden verdreven, met de Veluwe als enige uitzonderingsgebied. In de 20e en 21e eeuw keert het tij weer wat voor de edelherten in Nederland. Ze zijn zelfs weer in een aantal nieuwe gebieden geherintroduceerd. Wat is de stand van zaken in deze rastergebieden en komen daarbuiten ook edelherten voor?

De Veluwe is het grootste leefgebied voor het edelhert in Nederland en heeft gefungeerd als refugium voor het edelhert. Dankzij de Veluwe kon het edelhert voor Nederland behouden blijven. Buiten de Veluwe zijn eind 20e eeuw en begin 21e eeuw in drie gebieden ook edelherten geïntroduceerd. De bekendste en meest omvangrijke introductie is die van het edelhert in de Oostvaardersplassen in 1992 geweest. In de 21e eeuw hebben nog introducties in het Weerterbos (2005) en Groene Woud (2017) plaatsgevonden. We beschouwen de gebieden even wat nader.

De leefgebieden

Leefgebied Veluwe: Op de Veluwe leven op circa 100.000 ha in het voorjaar circa 2.500 edelherten. Dat zijn er wat meer dan de officiële doelstand volgens het Faunabeheerplan van Gelderland van 2.000 dieren. Sinds de eeuwwisseling heeft een flinke toename plaatsgevonden, hetgeen enerzijds terug te voeren is op het opheffen van interne rastergebieden, waardoor de ‘vrije’ wildbaan in areaal en aantal dieren is toegenomen, maar ook door de wens om de dichtheden aan herten te laten toenemen vanuit een meer ecologische benadering van de rol van deze dieren in bos- en heidelandschappen.

Leefgebied Oostvaardersplassen: Dit is het leefgebied waar in 1992 herten zijn geïntroduceerd, afkomstig uit verschillende genenbronnen. Door een ‘hands-off’ beheer kon deze populatie doorgroeien tot circa 4.000 dieren in 2017. De Oostvaardersplassen zijn weliswaar flink van omvang, circa 6.000 ha, maar het merendeel is water en moeras. Uitgaande van 2.000 ha ‘droog’ land is in 2017 sprake van een dichtheid van circa 200 edelherten per 100 ha (bijna een factor 100 intensiever dan op de Veluwe). Omdat het gebied bovendien gedeeld moest worden met Konikpaarden en Heckrunderen leidde dat vrijwel iedere winter door voedselgebrek tot flinke sterfte en daaraan gerelateerde maatschappelijke onrust. De provincie Flevoland heeft daarom in 2018 besloten het aantal edelherten in de Oostvaardersplassen terug te brengen naar 490, conform het advies van een speciale externe commissie. Honderden Konikpaarden zijn inmiddels verhuisd naar andere gebieden. De edelherten kunnen niet worden gevangen en verplaatst en worden daarom gedood. Momenteel loopt de discussie (wederom) over het toepassen van anticonceptie. In de winter van 2018/2019 zijn er rond de 1.800 herten afgeschoten. De maatschappelijke onrust is hiermee echter niet beteugeld; nu worden weer rechtszaken aangespannen in verband met het afschieten van de dieren.

Leefgebied Weerterbos: Het Weerterbos maakt deel uit van het natuurlandschap Kempen-Broek. Dit gebied (ca. 12.000 ha) ligt in de grensstreek van Nederlands en Belgisch Limburg en Noord-Brabant. Het Kempen-Broek is in verschillende studies aangeduid als mogelijk toekomstig leefgebied voor edelherten in Nederland en België. In het rapport Kansen voor grote hoefdieren in het Kempen-Broek en omgeving werd de aanbeveling gedaan om voorafgaand aan een eventuele introductie eerst een of meer pilotprojecten te starten, met de bedoeling op deze wijze ervaring op te doen met edelherten in de vrije natuur. Er werden twee mogelijke gebieden genoemd: in België het Stramprooierbroek en in Nederland het Weerterbos. Sinds 2005 leven daarom in een afgerasterd deel van het Weerterbos, in beheer bij Limburgs Landschap, edelherten. Het rastergebied is circa 150 ha groot en er wordt, net als op de Veluwe, actief op aantallen gestuurd d.m.v. jaarlijks afschot. In 2005 zijn vijftien edelherten ingebracht en na een paar jaar van groei wordt de stand nu gefixeerd op een twintigtal dieren.

Leefgebied Groene Woud: Sinds 6 maart 2017 leven hier, wederom in een rastersituatie van 300 ha, dertien edelherten. Daarvan zijn er vier gezenderd. Het project is uitgevoerd door ARK Natuurontwikkeling en Brabants Landschap in natuurgebied De Scheeken, dat gelegen is tussen Best en Liempde. De startgroep bestond uit negen vrouwelijke en vier mannelijke jonge dieren uit verschillende herkomstgebieden (Belgische Ardennen, Denemarken, Oost-Duitsland, Kroatië en Hongarije).

Voor het Groene Woud geldt, net als bij het Weerterbos, dat het een gebied van beperkte omvang betreft voor een ruimteminnende soort als het edelhert. En ook al is het doel hier een zelfredzame populatie edelherten in natuurlijke dichtheden binnen een groter gebied, de vraag is gerechtvaardigd of ook deze rastersituatie niet eenzelfde lot is beschoren als die van het Weerterbos waar de dieren vijftien jaar na dato nog steeds in een raster verblijven en er nog steeds geen zicht is op het weghalen van de rasters zodat de dieren zich vrijelijk kunnen gaan bewegen, laat staan dat er zicht is op uitbreiding naar een dusdanig groot (raster)leefgebied dat een vanuit genetisch oogpunt minimale populatiegrootte duurzaam kan voortbestaan. Wat dat laatste betreft: lang heeft men voor edelherten een minimale populatiegrootte van honderdvijftig dieren aangehouden, maar uit recente onderzoeken en daaruit opgedane inzichten blijkt dat een omvang van vijfhonderd dieren een betere indicatie is voor duurzaam behoud van een (geïsoleerde) populatie op de langere termijn.

Soms zijn er ‘zwervers’ …

Buiten deze officiële leefgebieden treffen we soms wat zwervende dieren, potentiële kolonisten dus, in ons land. Deze zwervers hebben verschillende herkomsten. Het kan gaan om een uit een hertenkamp of hertenhouderij ontsnapt exemplaar, of een uit een van bovenstaande gebieden ontsnapt dier of om dieren die vanuit een vrij levende populatie buiten onze landsgrens vertrokken zijn en al zwervend in ons land beland zijn. Dat laatste is met name in Achterhoek en Twente het geval.

Overigens kan met de huidige genetische technieken vrij snel bepaald worden – in het geval van overleden dieren – wat de herkomst van een eventuele zwerver is geweest. Alterra heeft – onder andere in samenwerking met Vereniging het Edelhert – de Nederlandse populaties edelherten genetisch in kaart gebracht. Aanvullend is een aantal voor Nederland relevante populaties over de grens ook bemonsterd (Dämmerwald / Üfter Mark, Forst Bentheim, Reichswald en de Eiffel). Op basis van deze data kon een aantal zwervende edelherten uiteindelijk gelinkt worden aan hun oorspronkelijke herkomstgebied: voor een edelhert dat in 2010 nabij Maurik werd geschoten werd de beste match met het leefgebied Dämmerwald / Üfter Mark gevonden. Een hinde die, eveneens in 2010, bij Hoge Hexel in Twente geschoten was, kon juist aan de Veluwe gelinkt worden, in plaats van aan Forst Bentheim zoals gedacht werd. Het hert dat in 2015 nabij Assen naast de A28 aangetroffen werd was, net als het hert van Maurik, verwant aan de populatie in het Dämmerwald / Üfter Mark. Hoe die dieren daar zijn gekomen, via natuurlijke weg of door de mens een handje geholpen, wordt natuurlijk niet duidelijk uit zo’n genetische analyse. De uitkomsten zijn evenwel interessant.

Een blik in de toekomst

Naast de reeds behandelde actuele leefgebieden van edelherten in Nederland (Veluwe, Oostvaardersplassen, Weerterbos en Groene Woud) zijn er nog andere gebieden waar over introductie of de mogelijkheid tot spontane kolonisatie is of wordt nagedacht. Hiertoe behoren bijvoorbeeld het Drents-Friese Woud (Dr), Utrechtse Heuvelrug (Ut), Vechtdal/Sallandse Heuvelrug (Ov) en Maasduinen (N-Li). Tot nog toe heeft dit echter niet tot extra nieuwe introducties geleid, terwijl dit vaak wel de enige manier is om edelherten in een (nieuw) leefgebied te krijgen, omdat we al geconstateerd hebben dat de bestaande leefgebieden meestal rastersituaties betreffen. Dieren kunnen er daarom niet uit of in en kunnen dus ook niet spontaan nieuwe gebieden gaan koloniseren. Naast het bestaan van de rasters is er nog een tweede groot knelpunt dat spontane verspreiding in de weg staat en dat is het ontbreken van ecologische verbindingen van voldoende omvang. Sinds het Natuurbeleidsplan (1995) werd vanaf eind 20e eeuw gewerkt aan een ecologische hoofdstructuur (EHS, thans Nationaal Natuurnetwerk Nederland NNN), bestaande uit kerngebieden (leefgebieden) en verbindingen daartussen. Daar zijn in de Nota Ruimte (2003) ook nog eens de twaalf ‘robuuste verbindingen’ aan toegevoegd. Deze verbindingen moesten bovenregionale en soms zelfs landsgrensoverschrijdende natuurverbindingen gaan vormen. Hoe mooi kon het zijn/worden. Echter, onder staatssecretaris Henk Bleeker zijn deze categorie van verbindingen in 2010 met één pennenstreek weer uit het natuurbeleid geschrapt. Zonder dergelijke verbindingen heeft ons volle cultuurlandschap over het algemeen te veel weerstand voor grote wilde herbivoren zoals het edelhert om zich op eigen kracht te kunnen verspreiden.

Gelukkig bestaan er wel een paar bewezen uitzonderingen hierop. De eerste uitzondering is de Veluwe waar via een actief provinciaal ‘poortenbeleid’ een aantal aan de Veluwe grenzende gebieden mondjesmaat door edelherten bezocht en bewoond mag gaan worden. Daarnaast dus de reeds aangehaalde zwervers in het oosten van Nederland. Tot nog toe hebben deze sporadische zwervers echter nog niet tot blijvende vestiging geleid, maar deze zwervers laten wel zien dat het kleinschalige cultuurlandschap van Oost-Nederland enerzijds als potentieel leefgebied kan dienen, maar zeker ook als passend doortrekgebied. Dit kan versterkt worden door het oplossen van lokale knelpunten, zoals rasters en verkeersknelpunten. Ook beleidsmatig zou dit verder ondersteund kunnen worden door in ieder geval in het provinciale faunabeleid het edelhert een warm welkom te heten.

Als we het toch even over ‘beleid’ hebben: we ontberen duidelijke beleidsrichtlijnen voor een soort als het edelhert. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid van Rijk naar provincies hebben slechts enkele provincies een of andere vorm van reactief beleid ten aanzien van edelhert (en damhert) geformuleerd. Het gevolg daarvan is dat problemen meestal ad hoc worden opgelost, zonder dat over de verdere consequenties daarvan wordt nagedacht. Zo zien we nu al dat, ondanks het Rijksbeleid ten aanzien van ontsnippering, het aantal rasters rond natuurgebieden in de praktijk juist weer toeneemt. De vraag kan gesteld worden of het geen tijd is dat de Rijksoverheid weer de regie naar zich toe trekt en in ieder geval voor grensoverschrijdende en sterk migrerende soorten kaderstellend beleid gaat ontwikkelen met een langetermijnhorizon? Waarom is er wel een Interprovinciaal Wolvenplan ontwikkeld (IPO, 2019) voor een soort waarvan er nu nog maar enkele exemplaren in Nederland voorkomen, en doen we dat niet voor edelhert, damhert en wild zwijn?

In dat beleid zou tevens richting gegeven kunnen worden aan een aantal bestaande omissies. Ik wil hier bijvoorbeeld noemen het ontbreken van een ecoduct bij Terschuur over de A1. Dit is in 2010 geschrapt in het MJPO (want lag in een robuuste verbinding). Maar het is de enige plek waar een werkende ecologische verbinding tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug tot stand gebracht kan worden. Er is nu tussen de bestaande bebouwing langs de A1 door nog een beperkte breedte vrij voor deze verbinding, maar deze zal verloren gaan als ze niet planologisch veiliggesteld wordt. Daarnaast zou in dat beleid aandacht moeten zijn voor uitbreiding van de recente, kleine (raster)populaties edelherten in Groene Woud en Weerterbos. Voor duurzame genetische instandhouding is vergroting van deze populaties en dus van hun leefgebied noodzakelijk. Met op termijn bij voorkeur verbindingen voor uitwisseling tussen de populaties. Tot slot beleidsvorming die herintroductie ondersteunt. De meeste plannen en ideeën omtrent herintroductie of leefgebiedvergroting sneuvelen door grote weerstand vanuit landbouwzijde. Die weerstand is begrijpelijk: (potentiële) schade aan gewassen wordt geïntroduceerd zonder dat daar goede regelingen en beheerafspraken tegenover staan. Bovendien wordt niet gedeeld in de ‘lusten’ die de komst van het edelhert vaak met zich meebrengen voor de lokale recreatie- en toerismesector. Zo lang we geen goede modus kunnen vinden in de verdeling van de lusten en de lasten en duidelijk zijn over het te voeren beheer zullen veel rasters gewoon rasters blijven en zullen er niet snel nieuwe projecten bij komen, laat staan dat spontane uitwisseling tussen leefgebieden mogelijk zal zijn. Wat dat betreft verkeren we voor het edelhert momenteel toch in een soort impasse.

Zoogdier

Dit artikel is ter beschikking gesteld door de redactie van Zoogdier. Zoogdier is het populair-wetenschappelijk kwartaalblad van de Zoogdiervereniging en Natuurpunt. Leden van de Zoogdiervereniging en abonneehouders van Natuurpunt krijgen Zoogdier automatisch thuisgestuurd. 

In Zoogdier worden artikelen gepubliceerd over zoogdieronderzoek en -bescherming over soorten die in Nederland en Vlaanderen (kunnen) voorkomen. Daarnaast ook over activiteiten die worden ondernomen door werkgroepen van de Zoogdiervereniging (Nederland) en Natuurpunt (Vlaanderen).

Publicatiedatum: 18 juni 2020

Tekst: Glenn Lelieveld, hoofdredacteur Zoogdier op basis van "Edelherten in Nederland - Hoe staat het met ze in de 21e eeuw?" door Bas Worm, Vicevoorzitter Vereniging het Edelhert en zelfstandig fauna-adviseur in Zoogdier 31-2, 2020.

Foto's: Bas Worm