Bij ingrepen en (ruimtelijke) ontwikkelingen in gemeentes is er al snel sprake van effecten op strikt beschermde soorten van de Flora en Faunawet. In de bebouwde kom gaat dit in het overgrote deel van de gevallen om vleermuissoorten en vogelsoorten, maar ook diversie vissen-, amfibieën-, reptielen-, vlinder-, libellen- overige insecten- en plantensoorten gelden als strikt beschermd1.
Het proces van onderzoek en ontheffingverlening van de Flora- en faunawet (FFwet) vraagt veel tijd. Vaak wordt het proces in een gemeente in een groot aantal grotere en kleinere projecten na elkaar en gedeeltelijk parallel doorlopen. In veel gevallen vertraagt het benodigde ecologisch onderzoek het planproces. Dit is inefficiënt vanuit het oogpunt van de doorlooptijd en de financiën.
Maar evenzeer geldt voor veel soorten dat de zeggingskracht van het ecologisch onderzoek van de losse stukjes veel kleiner is dan van onderzoek over een groter oppervlak, terwijl bovendien de impact van – al dan niet cumulatieve – effecten op de staat van instandhouding van soorten moeilijker is in te schatten. Compenserende maatregelen gebaseerd op een ’overzicht van het voorkomen van soorten’ binnen een groter geheel, kunnen ecologisch en financieel effectiever zijn dan maatregelen binnen kleine losse plangebieden.