Straks in Lutra: resultaten van de zomerkampen van de Veldwerkgroep 1986-2014

4 februari 2016

Het streven was om de tweede uitgave van  Lutra van 2015 rond de Kerst te bezorgen. Dit is helaas niet gelukt. Inmiddels ligt deze aflevering bij de drukker en de verwachting is dat Lutra rond 15 februari op de mat valt. In een van de bijdragen in dit dikke nummer geven Bekker et al. een overzicht van de resultaten verkregen tijdens de zomerkampen van de Veldwerkgroep van de Zoogdiervereniging in de jaren 1986-2014.

Sinds de oprichting in 1975 heeft de Veldwerkgroep 28 van zulke zomerkampen georganiseerd. De eerste kampen hadden België en Frank­rijk als bestemming, in de loop der jaren heeft de Veldwerkgroep geleidelijk haar acti­viteiten uitgebreid naar verder weg gelegen locaties in Europa. Het laatste zomerkamp in 2015 (niet in dit artikel besproken) werd gehouden in Albanië.

Het artikel over de zomerkampen geeft een overzicht van de waarnemingen van 128 soorten zoogdieren. Er werden verschillende observatie- en onderzoektechnieken toegepast: 7.662 kleine zoogdieren liepen in uitgezette inloopvallen en er vlogen 990 vleermuizen in de opgestelde mistnetten. Braakballen en andere excretieproducten van uilen, roofvogels en grotere zoogdieren bevatten 22.766 kleine zoogdieren, veruit de meeste in braakballen van kerkuilen (93%). Met bat-detec­tors werden 3.908 vleermuizen waargenomen.

De deelnemers aan de kampen onderzochten ook grotten, kerkzolders en onbewoonde huizen op de aanwe­zigheid van vleermuizen. Ook oude bruggen of tunnels bleken vaak interes­sante plekken te zijn. Ze kwamen op die wijze bijna 24 duizend vleermuizen op het spoor.

Er werden 1.740 directe zichtwaarnemin­gen gedaan. De deelnemers aan de kampen constateerden de aanwe­zigheid van roofdieren merendeels aan de hand van prenten en andere sporen, de aanwezigheid van hoef­dieren vooral via zichtwaarnemingen. Sinds 2007 zijn infraroodcame­ra’s ingezet om vooral grotere zoogdieren te detecteren, aangetrokken met een sterk geu­rend kunstaas.

Afbeelding verwijderd.
Biogradska Gora Montenegro 2014 (​foto: Kees Mostert).

Om de bijdrage aan de kennis over de verspreiding van zoogdieren in Europa te kwantificeren, hebben de auteurs de bevindingen vergeleken met de aanwezigheid van stippen op de kaarten in de atlas van de Europese zoogdieren. Hieruit bleek dat de aanwezig­heid van zoogdieren tijdens de zomerkampen is bevestigd voor 1.268 internationaal gebruikte ‘UTM-kwadranten’. Voor 35 kwadranten is de aanwezigheid na 1970 bevestigd. Voor 218 kwadranten is de aanwezigheid voor het eerst aangetoond. Als we deze ‘nieuwe’ kwadranten op orde-niveau bekijken, dan blijken vleermuizen verantwoordelijk voor het grootste aandeel (65%). Dit is vooral te danken aan de inzet van mistnetten, bat-detectors en geluidsanalyses van opgenomen signalen achteraf.

Sinds 2004 is er ook gelet op het voorkomen van ecto-parasieten bij vleermuizen. Zo verzamelden de deelnemers aan de kampen in totaal op 248 vleermui­zen (23 verschillende soorten) een of meer van zulke parasieten. Het totale aantal ver­zamelde parasieten bedroeg 606, voor het merendeel mijten (80%) en luisvliegen (15%).

Tijdens kampen in Middellandse Zeegebieden werden veel minder woelmuizensoorten in vallen gevangen dan in de Centraal-Europese of Noord-Europese zomerkampen, terwijl uit braak­balanalyses blijkt dat de woelmuizen als groep zeker niet zeldzaam of afwezig zijn in deze regio’s.

Een van de doelen van de zomerkampen is kampdeelnemers kennis te kunnen laten maken met typisch 'zuidelijke soorten‘, zoals eikelmuis en relmuis. Dat lukte vaak, maar ook zoogdieren van het Middellandse Zeegebied, Scandinavië en Oost-Europa, zoals de spectaculaire grote rosse vleermuis, eland en sneeuwmuis lieten zich regelmatig bewonderen.

In 2016 gaat de Veldwerkgroep naar Zwitserland, ga ook mee!