Effectmeting van de verbindingszones voor hazelmuis
De hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is een soort van de Europese Habitatrichtlijn (Bijlage IV). De soort komt in een groot deel van de bossen van Europa voor die kwalitatief geschikt zijn voor de soort (Juškaitis 2008; Juškaitis & Büchner 2013; Hutterer et al. 2016). In het zuiden van Europa is de populatie stabiel, terwijl in het noorden van Europa de populaties afgenomen zijn, zoals dit in Nederland ook het geval is geweest (Hutterer et al. 2016). Het verspreidingsareaal in Nederland beperkt zich tot vijf aaneengesloten atlasblokken (5x5 km) in het zuidoostelijk deel van Limburg (Lemmers et al. 2019). Van de levenswijze van de hazelmuis in dit gebied is reeds veel bekend (o.a. Dorenbosch et al. 2013b). Hazelmuizen maken nesten in een specifiek habitat, bestaande uit diverse typen vruchtdragende struweelhagen en bosranden (Capizzi et al. 2002; Juškaitis & Šiožinytė 2008). De struweelhagen en bosranden waarin hazelmuizen in Nederland het vaakst nesten bouwen bestaan vooral uit braam en lijsterbes (Ramakers et al. 2014). Verder worden nesten gevonden in kamperfoelie, sleedoorn, meidoorn en roosachtigen (Ramakers et al. 2014). Geschikt habitat, bestaande uit aaneengesloten en doorontwikkelde struweel(hagen) en bosranden, draagt bij aan een optimale verspreidingskans voor hazelmuizen (Bright & Morris 1990; Berg & Berg 1998; Wolton 2009; Ehlers 2012).