De haas (Lepus europaeus)

 

Algemeen

Hazen (en konijnen) behoren niet tot de knaagdieren, maar tot de haasachtigen (of dubbeltandigen), een aparte diergroep. Het verschil is dat haasachtigen achter de grote bovensnijtanden een paar stifttanden hebben staan, in tegenstelling tot knaagdieren.

Uiterlijk

Haas (© Rainne Jordaan Arkemheen)
   Haas (© Rianne Jordaan)

Wat uiterlijk betreft lijken hazen en konijnen veel op elkaar. Volwassen hazen zijn echter forser, hebben grotere poten en langere oren met een zwarte punt, 'lepels'. De kleur van de vacht is grijs- of geelbruin, de buik is wit en de wangen zijn bleekgeel. De vacht van 'zandhazen' is wat meer roodbruin, terwijl die van 'kleihazen' wat grijziger is. Hazenharen ziijn 2 tot 3 cm lang met een zwart puntje. De dekharen zijn geelbruin. De dichte laag van dunne wolharen die altijd tussen de dikkere dekharen te zien is, is bij hazen wit (bij konijnen altijd grijs).

Jonge hazen hebben vaak een witte vlek op de kop. De haas houdt zijn staart tijdens het lopen vaak omlaag of horizontaal, waardoor alleen de zwarte bovenzijde zichtbaar is. Haasachtigen hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze relatief grote achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de neusgaten.

Afmetingen:

  • kopromplengte:  50 - 65 cm
  • oorlengte:  9 - 12 cm
  • gewicht: 3 - 5 kg
  • staart: 8 - 10 cm

Geluid

Bij nood een hoog gegil.

Leefgebied en verspreiding


 

Behalve in IJsland en Noord-Scandinavië komt de haas in geheel Europa voor, tot op 3000 meter hoogte in de Alpen. In dichtbevolkte gebieden komt de soort weinig voor. In delen van Europa komt de sneeuwhaas voor. Deze hazensoort wordt in de winter wit.

De haas is van oorsprong een steppebewoner en heeft een voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland, open veld als akkers en weilanden maar komt ook wel voor in open bos, heide en kwelders.

Leefwijze en voedsel 

 

Grazende hazen (© Sim Broekhuizen)

Hazen zijn overwegend in de vooravond en 's nachts actief, in de zomer ook wel in de schemering en overdag. Overdag rust de haas doorgaans uit in zijn leger.

Hazen bewonen geen holen zoals konijnen doen. Ze maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde akker vind je hazenlegers. Deze legers zijn 10 tot maximaal 20 cm diep en 25 cm lang. Hazen liggen met hun achterlijk in het diepste deel.

Hazen eten grassen (winter), kruiden (zomer) en akkerbouwproducten zoals graan, maïs, klaver en aardappelen. Door hun knaaggedrag worden ze wel tot de 'kleine grazers' gerekend en hebben ze een grote invloed op de vegetatie. 

Territorium en verblijfplaats

Hazen leven meestal solitair, maar in de paartijd ook wel in groepjes. In de winter grazen ze ook wel in losse groepjes.

Voortplanting en leeftijd

Als in het voorjaar hazen door het veld rennen, is het voorste dier meestal een loopse moerhaas (vrouwtje) met enkele rammen (mannetjes) die achter haar aanzitten.  

In de paartijd of rammeltijd vechten hazen hevig waarbij ze als boksers tegenover elkaar staan en flinke klappen uitdelen. Het kan daarbij gaan om mannen die om een vrouwelijke haas vechten, maar ook om een vrouw de het mannetje van zich af houd.

De bronsttijd begint rond februari (soms al eerder) en duurt tot augustus tot september. Na een draagtijd van ongeveer zes weken worden tussen eind januari en oktober doorgaans vier nesten jonge haasjes geboren. Totaal krijgt de haas gemiddeld elf jongen per jaar. De jongen worden in een open nest geboren. 

Pasgeboren haasjes zijn volledig behaard en hebben de ogen open. Al na één of enkele dagen verlaten de haasjes de geboorteplek. Ze komen daar echter elke dag, drie kwartier na zonsondergang, weer terug. De moeder komt meestal een kwartiertje later om ze te zogen, totdat de haasjes ongeveer een maand oud zijn. De sterfte onder jonge hazen is hoog. Van de jongen van 1 moer blijven er vaak maar twee tot vier in leven.

Sporen

Hazenharen kunnen gevonden worden op rustplaatsen (legers), voor holen, aan prikkeldraad, tegen schuur- of veegbomen.

Vraatsporen

Hazen bijten bloemhoofdjes van paardenbloemen af om zo bij de onrijpe zaden te kunnen. Afgebeten, net opgekomen wintergraan kan het werk van hazen zijn wanneer de beet schuin is. Wanneer hazen kruidachtige planten eten, blijft er een schuin en scherp snijvlak achter net alsof de stengel met een mes is afgesneden. Wanneer een ree of hert een stengel afbijt, is er op het snijvlak een gerafelde of vezelige bovenkant te zien. Hazen knagen dwars op de lengterichting van een stam of een tak en eten zowel schors als bast.

Vraatsporen van hazen en konijnen zijn niet van elkaar te onderscheiden, behalve dat de reikwijdte (in de hoogte) hoger is dan die van een konijn. Beide knagen zowel aan loof- als aan naaldbomen. Omgevallen bomen worden soms geheel ontschorts.

Loopsporen

Hazen hebben voorvoeten met 5 tenen en lange achtervoeten met 4 tenen. De duim is zo kort dat de afdruk ervan niet altijd goed te zien is. Alle nagels zijn even groot. Omdat de 3de teen wat langer is, is de vorm van de prent wat spits aan de voorzijde. Er zijn geen voetkussens te zien. De pootafdrukken zijn meestal niet zo duidelijk omdat de poten sterk behaard zijn. De pootafdrukken zijn 30 tot 35 mm breed, en 40 (voorvoet) tot 60 (achtervoet) mm lang (160 mm inclusief hiel bij zithouding). De spreiding bedraagt 12 tot 16 cm, de paslengte in huppelgang is 40 cm, in sprongengalop enkele decimeters tot wel 3,5 meter. 

In spongengalop worden de achtervoeten ver voor de voorvoeten geplaatst. Bij huppelgang worden de voorvoeten naast elkaar of schuin naast elkaar gezet. Hazen volgen soms hun eigen sport weer terug (hierdoor lijkt het of het spoor ‘doodloopt’). 

Wissels (regelmatig belopen wildpaadjes) van hazen zijn ongeveer 10 cm breed en meestal te vinden in de vorm van paadjes over kale akkers.

Uitwerpselen

Keutels van hazen zijn in de regel ongeveer tweemaal zo groot als konijnenkeutels, maar door regen, voedseltype, etc kan het lastig zijn hazen- en konijnenkeutels uit elkaar te houden. Hazenkeutels liggen verspreid door het hele voedselgebied. De keutels zijn rond en enigszins afgeplat, soms met een puntje. De doorsnede van de keutels is ongeveer 20 mm. De grove plantenresten zijn nog goed zichtbaar in de keutels. De kleur van de keutels is meestal licht- tot geelbruin of donkergroen tot zwart (vers). 

Bedreiging en bescherming

Belangrijke doodsoorzaken van hazen en konijnen zijn ziekten (zoals myxomatose, VHS en EBHS - European Brown Hare Syndrome), het verkeer, de landbouw en de jacht. In de jaren '70 zijn massaal veel hazen gestorven, mogelijk vanwege de intensivering en schaalvergroting van de landbouw. De hazenstand heeft zich sindsdien niet echt meer hersteld. Belangrijke oorzaken van de grote sterfte onder jongen zijn de geïntensiveerde grond- en gewasbewerking (vaker maaien) en perceelvergroting, waardoor verlies aan perceelranden optreedt.

De sterfte onder hazen door landbouwmachines kan worden voorkomen door de hazen te alarmeren met behulp van 'wildredders' (uitstekende stangen met kettingen) aan de zijkanten van de machines.

Omdat hazen schade kunnen veroorzaken aan land- en tuinbouwgewassen, mogen deze soorten bejaagd worden. Gewasschade kan worden beperkt door het aan-brengen van kunststof manchetten om boomstammetjes, een goede omrastering en het laten liggen van snoeihout, waardoor de vraat wordt afgeleid. Hazen worden ook bejaagd voor consumptie.

Jonge haasjes die alleen worden aangetroffen moeten met rust gelaten worden omdat de moeder de beestjes nog elke dag komt voeden.

Waarnemen en onderzoek

Ze zijn relatief eenvoudig waar te nemen. ‘s Morgens vroeg of ‘s avonds bij scherming is de beste kans om een haas te zien. Hazen zitten vaak rechtop en zijn steeds alert. In maart-april is het gras nog kort, en zijn de rammelende hazen goed te zien.

Konijnen zijn sprinters, maar hazen zijn lange-afstandslopers. De haas kan een snelheid van 65 km/uur bereiken en vele kilometers per nacht afleggen. Opvallend aan een vluchtende haas is dat hij ineens 90 graden van richting verandert (het 'haken slaan') om aan het gevaar te ontsnappen.