De Bever (Castor fiber)

 

Uiterlijk

Bever in water (© Vilmar Dijkstra)
    Bever (© Vilmar Dijkstra)

De bever is het grootste knaagdier van Europa. Aan het uiterlijk is duidelijk te zien dat het dier goed is aangepast aan het leven in het water. De bever heeft korte poten met 5 tenen en achterpoten met zwemvliezen. De grijze tot donkerbruine vacht bestaat uit haren die zo dicht op elkaar zitten dat er geen water tot op de huid kan doordringen. De kleine oren en de neusgaten kunnen worden afgesloten. De platte 'geschubde' staart wordt gebruikt om in het water te kunnen sturen. Als er gevaar dreigt, slaan bevers de staart met kracht op het water om hun soortgenoten te waarschuwen. Vrouwtjes hebben een langere en smallere staart dan de mannetjes.

Zeer kenmerkend zijn de grote voortanden, bedekt met een harde laag oranje glazuur, waarmee bevers in staat zijn vrijwel alle houtige gewassen door te knagen.

Afmetingen:
kop-romplengte: 70-100 cm
staartlengte: 25-37 cm en 12 – 16,5 cm breed
gewicht: 15-35 kg

Geluid

Meestal zwijgzaam. Soms zachte kreunende of blazende geluiden. In geval van gevaar slaan ze met hun staart op het water om familieleden te waarschuwen.

Leefgebied en verspreiding

In Europa komen nog op verschillende plaatsen bevers voor. Enkel in het stroomgebied van de Elbe in Duitsland en in Zuid-Noorwegen zijn nog relictpopulaties. Verder zijn er dieren uitgezet in Oost-Duitsland, Zuid-Frankrijk (stroomgebied van de Rhône), Spanje (stroomgebied van de Ebro) Polen, Zwitserland, Oostenrijk, Rusland en Scandinavië.

Vroeger kwam de bever in een groot deel van Nederland voor. Door zijn gewilde pels en onderhuidse vetlaag, omdat bevervlees in vastentijd gegeten mocht worden (hij werd net als een vis gezien als een ‘waterdier’) en omdat het vee zijn poten brak in ondergrondse beverholen werd de bever intensief bejaagd. Ook door biotoopvernietiging is hij in 1826 uitgestorven.

In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. In de periode 1988-1992 is in de Biesbosch een aantal families uit het Elbegebied (voormalig DDR) losgelaten, in 1994 gevolgd door een herintroductie in de Gelderse Poort (tussen Arnhem en Nijmegen). Nabij Natuurpark Lelystad leeft sinds 1991 een kleine populatie ontsnapte bevers. Tussen 2002 en 2004 zijn er dieren bijgezet bij pioniers die vanuit Duitsland naar Limburg kwamen. Het meest recent is de uitzetting van bevers in het grensgebied van Groningen en Drenthe, in 2008. Het aantal waarnemingen elders in Nederland stijgt.

Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden) . De bever kan door middel van het bouwen van dammen en het omknagen van bomen en struiken een grote invloed op zijn leefomgeving hebben.

Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. In ondiep stromend water worden dammen gebouwd om de gewenste waterstand te krijgen.

Beverburcht © Teun Baarspul

Leefwijze en voedsel

Bevers zijn vooral 's nachts actief. Overdag brengen ze de tijd voornamelijk slapend door op legers, in holen of in burchten. Bevers houden geen winterslaap maar moeten in de winter soms noodgedwongen een poos in hun hol blijven wanneer er een ijslaag op het water ligt. Ze eten dan van hun aangelegde wintervoorraad twijgen en schors. Op het land bewegen de dieren zich onbeholpen voort, maar in het water zijn ze snel. Ze zwemmen en duiken uitstekend en kunnen met gemak 5 minuten onder water blijven.

's Winters bestaat het voedsel voornamelijk uit bast van houtige gewassen en wortelstokken (b.v. van waterlelie). Van de boomsoorten worden voornamelijk de zachte soorten gekozen zoals populier, wilg en populier. In het zomerseizoen wordt dit menu aangevuld met kruidachtige land- en waterplanten, maar ook boombladeren. Van omgeknaagde bomen worden de zijtakken als wintervoorraad naar de burcht gesleept waar ze onder water worden bewaard. Schors en blad wordt opgegeten.

Territorium en verblijfplaats

De bever leeft solitair of in een kleine familie en is monogaam. Een familie bestaat doorgaans uit een paar met jongen van dit jaar en die van de voorgaande twee jaren. Het territorium beslaat een gebied van 100 meter tot wel drie kilometer langs waterlopen. In de Biesbosch bleek in de jaren ’90 dat de bevers daar een gemiddelde territoriumgrootte van bijna 13 km oever hadden. Daarvan was gemiddeld bijna 5 km bebost. De Biesbosch kon tijdens die studie echter gezien worden als een minder geschikte biotoop vanwege de geringe diversiteit in voedsel.

Territoria van familieleden kunnen elkaar overlappen. Grenzen van het territorium worden met geursporen gemarkeerd met het zogenaamde ‘bevergeil’. Dit heeft een zeer bijzondere geur dat het best omschreven kan worden als een combinatie van schoensmeerolie en een ziekenhuisgeur. Deze geursporen worden afgezet op zelf opgekrabde heuveltjes van modder en/of rottende plantendelen. Deze heuveltjes hebben een onregelmatige vorm, zijn 10 tot 30 cm in doorsnee en 10 cm hoog en komen vooral voor daar waar de bever vaak in en uit het water gaat.

   Bevergeurmerk (© Sil Westra)

Afhankelijk van de hoogte van de oever en het voorkomen van stilstaand of stromend water bouwt de bever zijn burcht in of op de oever of in het water en bouwt hij al dan niet dammen. Voor de bever is het essentieel dat de ‘woonkamer’ in zijn burcht ongeveer 20 cm boven de waterspiegel ligt en niet onderstroomt en dat de ingang naar de burcht te allen tijde onder water ligt. Het water moet minstens 50 cm diep zijn, mag niet uitdrogen in de zomer en niet tot op de bodem bevriezen in de winter. Hiervoor legt de bever soms zelfs vijvers aan door dammen te bouwen en reguleert de hoogte van de vijver door een ‘sluis’ open te zetten, bijvoorbeeld na hevige regenval of weer dicht te maken. Deze dammen kunnen meer dan 100 meter lang worden.

Bij rivieren met een hoge oever bouwt de bever lange gangen in de oever als burcht. In geval van lage oevers bouwt de bever de burcht op het land. In het geval van (een zelfgemaakt) meer wordt een burcht gemaakt die als een eiland midden in het meer ligt. De burcht is gebouwd van op elkaar gestapelde takken, waartussen vaak modder en waterplanten zijn aangebracht; de ingang ligt onder water. Om overdag te rusten, maakt de bever vaak een leger. Het leger van de bever is een plek met platgetrapte vegetatie of een kuiltje, soms bekleed met houtsnippers. Gangen naar de burcht hebben een diameter van 35 cm.

Voortplanting en leeftijd

Na 2 tot 3 jaar zijn bevers volwassen. De bronsttijd is tussen januari en februari. De paring, buik tegen buik, gebeurt in het water. Na een draagtijd van 3½ maand worden tussen april en juli de jongen geboren. Een nest bestaat gewoonlijk uit twee tot vier jongen. De jongen zijn bij de geboorte dichtbehaard en hebben hun ogen open. Na zes weken worden ze gespeend. Pas veel later kunnen ze net zo goed zwemmen en duiken als hun ouders. In de zomer komen de jongen, die in een hol of burcht worden geboren, naar buiten. De ouders zijn erg beschermend en helpen de jongen tijdens uitstapjes door hen voort te duwen bij lastige hindernissen of zelf in hun voorpoten te dragen.

Bij de opvoeding van de jongen worden de volwassen dieren bijgestaan door de jongen van de voorgaande twee jaar. Op 2- tot 3-jarige leeftijd verlaten de jonge bevers, net voor de geboorte van een nieuw nest, het ouderlijk territorium en gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied. De gemiddelde levensduur is 8-12 jaar, maximaal 35 jaar.

SporenDoor bever omgeknaagde boom © Teun Baarspul

Een beverburcht zelf is één van de duidelijkste sporen van beveractiviteit. Daarnaast laat de bever door zijn fourageergedrag nogal wat sporen na. Zo worden bomen met name in het winterseizoen omgeknaagd voor het aanleggen van een eventuele wintervoorraad. Bij het omknagen van een boom wordt op een hoogte van enkele centimeters tot een halve meter hoogte de bekende zandlopervormige inkeping gemaakt. Bij afgeknaagde takken of dunne bomen ontstaat een schuin snijvlak. Rond de plaats waar de bever heeft geknaagd liggen vaak grove spaanders van 3 tot 4 cm breedte en 10 tot 12 cm lengte. De bever knaagt bomen tot wel 60 cm doorsnee door. Vervolgens wordt een boom in stukken van 1 meter of meer geknaagd en naar de dam of burcht gesleept.

Knaagsporen aan takken © Teun Baarspul

Vraatsporen

De tandafdrukken, die ongeveer 8 mm breed zijn, zijn duidelijk zichtbaar op zowel de stam en de tak als op de spaanders. In het water zijn vaak afgeknaagde en geschilde takken van bomen te vinden. Hier heeft de bever de bast van afgeknaagd, en zie je de beverknaagsporen aan de takken.

Uitwerpselen

De uitwerpselen zijn geelbeige tot donkerbruin en kogelrond tot eivormig. De lengte bedraagt 2 - 4 cm en de dikte is ongeveer 2 cm. In de keutel zijn duidelijk grove resten van planten en houtspaanders te zien. De keutels liggen bijna altijd in het water.

Loopsporen

In een duidelijke afdruk van de voorvoet zijn 5 tenen zichtbaar, waarvan de duim klein is. In de afdrukken van de achtervoet zijn de tenen soms verbonden door een lijn; het zwemvlies. De staart laat een duidelijk sleepspoor na, dat de pootafdrukken vaak uitwist. De afdruk van de voorvoet is 5,5 cm lang en 4,5 cm breed. De achtervoet is maximaal 14,5 lang en 10 cm breed. De paslengte is 40, de spreiding 20 cm. Op de oevers zijn modderbanen en glijbanen of ‘opgangen’ te vinden van zo’n 20 tot 30 cm breed waar het dier vaak in en uit het water gaat. Ook kan men kanalen vinden van 30 tot 60 cm breed en wel 100 meter lang vanuit een meer naar de burcht of dam waarlangs de bever de afgeknaagde

stukken hout door versleept.

Bedreiging en bescherming

De bever staat op de rode lijst voor bedreigde zoogdieren. Volgens de Europese Habitatrichtlijn (1992) is de bever strikt beschermd (bijlage IV) en moeten beschermde leefgebieden (Natura2000) worden aangewezen (bijlage II). De bever is bovendien beschermd door de Flora- en faunawet.

Hoewel de populatie sterk groeiend is, zijn de grootste bedreigingen momenteel het kleine aantal populaties en de relatief geringe omvang van deze populaties. Het uitbreken van een ziekte kan tot gevolg hebben dat een populatie zoals in de Biesbosch geheel verdwijnt. Jongen, nog in het nest, komen soms om door een te hoge waterspiegel in het voorjaar. Uit onderzoek in o.a. de Biesbosch bleek vooralsnog dat de aanwezigheid van een gevarieerd voedselaanbod belangrijker is dan rust en de kwaliteit van het water.

Waarnemen

Bever, Beverrat, Muskusrat © Teun Baarspul

De bever wordt vaak verward met de beverrat. Dit dier is echter een stuk kleiner (kop-romplengte 42 - 65 cm), heeft een duidelijke snuit en zwemt meestal met een deel van de achterrug boven water. Bovendien heeft de beverrat duidelijke witte snorharen, terwijl die van de bever meestal niet worden gezien. De beverburcht en vraatsporen aan bomen en takken vormen echter het onmiskenbare bewijs dat men met bevers te doen heeft. Bevers zijn in het zomerhalfjaar aan het begin van de avond, wanneer ze actief worden, goed waar te nemen.

Naar bevers wordt nog veel onderzoek verricht, met name in de gebieden waar de dieren geherintroduceerd zijn. De Beverwerkgroep Nederland van de Zoogdiervereniging wil graag een beeld krijgen van de verspreiding van bevers in heel Nederland. Daartoe organiseert zij tellingen en roept zij mensen op waarnemingen van bevers te melden bij de werkgroep.