De Werkgroep Kleine Marterachtigen (WKM) richt zich op de wezel, hermelijn en bunzing. Ze is opgericht met het doel meer inzicht te krijgen in de actuele situatie en eventuele beschermingsmaatregelen voor deze soorten. Na veel activiteiten in de jaren 1980-1990 was de werkgroep enige tijd slapende, maar sinds vorig jaar is de werkgroep weer “wakker”. Meer informatie over de plannen van de WKM vindt u hieronder.
Voor het verspreidingsonderzoek in systematische en gebiedsdekkende zin zijn we ook afhankelijk van enthousiaste en volhardende vrijwilligers die het onderzoek met sporenbuizen meerjaarlijks willen toepassen binnen hun onderzoeksgebied. Deze ondersteuning is zeer welkom. Vrijwilligers zijn ook van harte welkom voor deelname aan de pilotonderzoeken.
Neem voor aanmelding contact op met Tim Hofmeester of Erwin van Maanen, door te mailen naar: werkgroep-kleine-marterachtigen [at] zoogdiervereniging [dot] nl">werkgroep-kleine-marterachtigen [at] zoogdiervereniging [dot] nl.
Waarnemingen van kleine marterachtigen kunnen op Internet in telmee.nl of waarneming.nl worden ingevoerd.
Wezel, hermelijn en bunzing worden onder de kleine marterachtigen van Nederland geschaard. Dit zijn zeer energieke en sterke roofdieren, die met hun ranke flexibele lichaam en gevoelige zintuigen optimaal ontwikkeld zijn voor de predatie op knaagdieren en vogels tot de grootte van een haas. Tegenwoordig zijn ze voor hun leefplekken en foerageergebied in hoge mate afhankelijk van kleinschalige landschappen, met daarin veel natuurlijke elementen en (micro)structuren. De hermelijn en bunzing laten tevens een sterke voorkeur voor waterrijke gebieden zien. Bij aanhoudend en voldoende voedselaanbod (b.v. een muizenpiek) zijn ze in staat zich snel voort te planten en goed te handhaven.
De werkgroep al enige jaren aan secties aan kleine marterachtigen, die bijvoorbeeld door verkeer zijn gedood. Van deze dieren wordt allerlei biologische informatie verzameld, zoals leeftijd, dieet, voorplanting, en eventuele werpgrootte. Ook wordt DNA afgenomen voor eventueel toekomstig genetisch onderzoek. Tijdens deze “snijdagen” is de WKM te gast bij Alterra, Wageningen.
Daarnaast heeft de werkgroep de volgende activiteiten ten voor ogen:
1. In eerste instantie het verkrijgen van een beter beeld van de huidige verspreiding van kleine marterachtigen en hun belangrijke leefgebieden in Nederland (verspreidingsonderzoek).
2. Integraal onderzoek naar de factoren die bepalend zijn voor het welzijn of de afname van de kleine marterachtigen in het moderne en steeds intensiever gebruikte Nederlandse landschap. Hiermee wordt ook de indicatorfunctie van de drie soorten voor landschappelijke kwaliteiten en milieuveranderingen bepaald.
3. Indien technisch en praktisch haalbaar het volgen van populatieontwikkelingen van kleine marterachtigen in geselecteerde gebieden samen met prooidierontwikkelingen (populatiemonitoring).
4. Indien nodig het opstellen van een beschermingsplan gericht op populatie- en habitatversterking (o.a. ecologische infrastructuur) voor kleine marterachtigen.
Met verspreidingsonderzoek wordt uitgezocht waar de zwaartepunten van de populaties en belangrijke leefgebieden van kleine marterachtigen in Nederland momenteel liggen, en welke ecologische factoren een rol daarin spelen. Daarnaast zijn er mogelijk diverse milieufactoren aan te wijzen die van invloed zijn op kleine marterachtigen, waaronder intensivering van de landbouw, diverse ruimtelijke ontwikkelingen, intensivering van verkeer, verontreiniging, isolatie van leefgebieden en veranderingen in landschapsbeheer. Hiervan weten we nog te weinig en daarom verdienen deze punten onze aandacht.
Uit onderzoekservaringen in binnen- en buitenland blijkt dat onderzoek naar kleine marterachtigen geen sinecure is. Dit is grotendeels te wijten aan de complexe ecologie van de soorten. Er ligt dus een behoorlijke uitdaging, vooral bij het ontrafelen van diverse biologische en ecologische aspecten van de dieren in relatie met landschappelijke eigenschappen. Kleine marterachtigen blijken bijvoorbeeld bijzonder mobiel te zijn en hun aanwezigheid is sterk afhankelijk van de (woel)muizenstand, die jaarlijks sterk schommelt en in veel gebieden is afgenomen.
Op een bijeenkomst van marterdeskundigen op 18 januari 2010 zijn verschillende methoden en benaderingen belicht en praktisch overwogen. Daaruit is besloten om eerst met verkennende pilotstudies in het veld een aantal methoden afzonderlijk en in combinatie uit te proberen. De nadruk ligt daarbij eerst op gebieden waar het actueel voorkomen van kleine marterachtigen bekend is. Hiermee wordt informatie verkregen over de haalbaarheid van eventueel breder en diepgaander onderzoek.
Als criteria voor de methoden zijn gebruiksgemak, kosten, onderscheidend vermogen en detectiekans gebruikt. Het betreft de volgende drie methoden.
• Spoorbuizen – waarmee pootafdrukken kunnen worden vastgelegd in een PVC-buis met inktbed en papier. Deze buizen kunnen goedkoop gemaakt worden. Ze kunnen vervolgens over een groot gebied worden uitgelegd en na enkele dagen worden geïnspecteerd. Een belangrijk nadeel is dat het moeilijk is om de sporen van wezel en hermelijn uit elkaar te houden en dat er vervuiling met sporen van andere dieren (muizen, kevers) kan optreden.
• Levend vangen – in een speciale “lifetrap”. Men krijgt de dieren levend in handen en kan ze (onder narcose) markeren of individueel herkennen, eventueel voor latere terugvangst. Ook andere aspecten zoals geslacht, conditie en parasitaire infecties kunnen worden bepaald. Daarnaast kunnen uitwerpselen worden verzameld voor populatiegenetisch onderzoek. Een groot nadeel is dat dit een tijdrovende methode is, omdat de vallen frequent op een dag moeten worden geïnspecteerd en daarmee het welzijn van de dieren word gewaarborgd. Daarnaast zijn de speciale inloopvallen tamelijk kostbaar.
• Fotovallen – het in het veld fotograferen van kleine marterachtigen met zogenaamde fotovallen (camera’s met infraroodsensor ) is nog amper onderzocht. Nadeel is waarschijnlijk dat vooral wezel en hermelijn te snel zijn om vast te leggen, tenzij ze even voor de camera kunnen worden ‘stilgezet’ met een lokmiddel.
In augustus 2011 is een eerste pilotonderzoek in de Wieden gepland door leden van de werkgroep met hulp van Natuurmonumenten. Dit onderzoek staat open voor de deelname van alle leden van de werkgroep.
Samenwerken is leuker! Gegevens over verspreiding worden tevens verkregen via andere lopende initiatieven zoals de monitoringprojecten van SOVON en het Atlas-project van de Zoogdiervereniging. Binnen de Zoogdiervereniging wordt samengewerkt met de Werkgroep Boommarter Nederland, Veldwerkgroep en Werkgroep Zoogdierbescherming en het onderzoek aan de Amerikaanse nerts zeer voor de hand. Ook het onderzoek naar dieren die door huiskatten worden gepredeerd levert aanvullende informatie op.
Omdat de werkgroep het delen van informatie over onderzoek en bescherming van kleine marterachtigen van groot belang acht, wordt samengewerkt met andere relevante organisaties en deskundigen die in Europa naar kleine marterachtigen onderzoeken, waaronder het Wieselnetz uit Zwitserland (http://www.wieselnetz.ch/wiesel/biologie.html). Het Wieselnetz gaat bijvoorbeeld proactief te werk met het versterken van ecologische infrastructuur voor wezel en hermelijn in gedegradeerde cultuurlandschappen, hetgeen in Nederland ook zou kunnen plaatsvinden i.v.m. de nieuwe Leefgebiedenbenadering voor soortbescherming.
Wiezelschutz http://www.wieselnetz.ch/wiesel/biologie.html
IUCN/SCC Small Carnivore Specialist Group http://www.smallcarnivores.org
Werkgroep Boommarter Nederland http://www.werkgroepboommarter.nl
In de volgende boeken is meer te vinden over de kleine marterachtigen: