Huismuis (Mus musculus)

 

Algemeen

Huismuis (© Rollin Verlinde)
   Huismuis (© Wesley Overman)

De huismuis behoort tot het geslacht van de Ware Muizen. Kenmerken van dit geslacht zijn de puntige snuit en de grote oren en ogen. De staart is relatief lang, 80 tot 120% van de kop-romplengte. Het zijn voornamelijk zaadeters maar eten af en toe ook insecten en aas. Bijzonder aan de huismuis is de herkenbare, onaangename, muffe geur die het dier verspreidt.

Van de huismuis worden er genetisch gezien vijf ondersoorten onderscheiden. In Nederland komt de westelijke huismuis voor. De huismuis is makkelijk tam te maken en wordt speciaal gefokt als huisdier of om in laboratoria te gebruiken. Vaak worden hiervoor albino varianten gebruikt.

Uiterlijk

De huismuis is slank gebouwd en heeft een variabele vachtkleur. Buiten levende dieren hebben een bruingrijze tot vaalbruine bovenvacht en een grijs tot geelwitte buik. Binnen levende dieren zijn donkerder met een leigrijze tot lichtgrijze onderzijde. De buikvacht heeft lange zwarte haren. De vacht is vet en glanzend. De huismuis heeft korte poten met aan de achtervoet vijf tenen en aan de voorvoet vier. Zijn snuit is vrij spits met een roze neusspiegel en lange snorharen, de oren zijn redelijk groot en de ogen zijn groot en zwart. De huismuis heeft beitelvormige voortanden die zijn hele leven lang doorgroeien en door middel van knagen kort gehouden moeten worden. Op zijn bovenste snijtand heeft de huismuis een inkeping. De staart is ongeveer zo lang als het lichaam en is voorzien van geschubde ringen. De huismuis heeft een scherp gehoor en vlucht bij het minste geluid.

Afmetingen:
lengte kop-romp: 75-100 mm
lengte staart: 75-100 mm
gewicht: 14-32 gram

Geluid

De huismuis maakt vooral piepende geluiden. Daarnaast maakt de huismuis veel ultrasone geluiden. Jongen maken geluiden rond de 60kHz, mannetjes tussen de 30 en 110kHz (om vrouwtjes te verleiden).

Leefgebied en verspreiding

De huismuis heeft zich overal ter wereld verspreid, zelfs op (onbewoonde) eilanden. Het verspreidingsgebied van de ondersoort westelijke huismuis, ligt in Amerika, Australië, Afrika, Turkije, Iran, Griekenland, Zuid-Bulgarije, Macedonië, Albanië, Montenegro, de Dalmatische kust, Italië, Zwitserland, het grootste deel van Duitsland, de Benelux, Frankrijk, het Iberisch Schiereiland en de Britse eilanden.

In Nederland komt hij overal voor, ook op de Waddeneilanden en sinds de jaren ’50 in de polders in Flevoland. Huismuizen komen vooral voor waar ook mensen voorkomen en met name waar andere soorten muizen ontbreken of minder talrijk zijn. Ze komen voor in woningen, schuren, winkels en boerderijen. Maar ook in fabrieken, pakhuizen, molens, stallen, kolenmijnen en zelfs koelhuizen.
In meer natuurlijke omstandigheden komen ze voor in bossen met ondergroei, graanakkers, rietvelden, heggen of ruige tuinen. In berggebieden komen ze voor tot 2700 meter hoogte.

Leefwijze en voedsel

De huismuis is vooral ’s nachts actief, met activiteitspieken in de schemerperiode. Op rustige plaatsen en waar voedselschaarste is, zijn ze soms ook overdag actief. De huismuis kan zeer goed knagen, klimmen, springen en zwemmen. Ter verkenning of bij onraad richten huismuizen zich op de achterpoten op. Dit wordt ‘zekeren’ genoemd. Ook snuffelt hij vaak met zijn neus in de lucht. Hij heeft namelijk een scherp reukvermogen, waarmee hij zijn weg vindt en zijn familieleden herkent. Hun gezichtsvermogen is slecht ontwikkeld, ze verplaatsen zich in het donker door te tasten met hun snorharen. Daarbij urineren ze veel, vooral in onbekend terrein. Dit, tezamen met hun tastzin, wijst hen de weg.

De huismuis leeft in familiegroepen. Hierin bestaat er een pikorde, waarbij een dominant mannetje de dienst uitmaakt. Binnen middelgrote groepen hebben mannetjes meestal een territorium en één of meer vrouwtjes met hun jongen, die ze fel verdedigen tegen andere mannetjes. In grote groepen zijn er ook onderdanige dieren, die geen territoria zullen stichten en zich niet zullen voortplanten.
Het voedsel van de huismuis is zeer gevarieerd; het is een echte alleseter. Ze hebben een voorkeur voor granen, zaden, noten, wortelen, insecten, larven en wormen. Ze eten het liefst vet- en eiwitrijk voedsel. Koolhydraatrijk voedsel zoals fruit en groene planten worden minder vaak gegeten.

De huismuis eet ook door mensen gemaakt voedsel zoals vlees en kaas en bij gebrek aan beter ook allerlei andere soorten materialen zoals zeep, kaarsen, lijm en kranten. Per dag eet een huismuis zo'n 3,5 gram. Huismuizen kunnen overleven zonder water te drinken, zolang het voedsel dat ze eten voor minstens 15 à 16 procent uit water bestaat. Soms legt de huismuis ook voedselvoorraden aan bij zijn nest. Buiten levende muizen trekken in de herfst vaak naar menselijke bewoning toe.

Territorium en verblijfplaats

Huismuizen hebben per familie een eigen territorium. De grootte van het leefgebied en de dichtheid van de populatie hangen af van het voedselaanbod. Meestal is de grootte van een leefgebied 5 m2 binnenshuis tot 400 m2 buitenshuis. Mannelijke muizen gebruiken hun urine om hun territorium af te bakenen en hun urine ruikt dan ook veel sterker dan die van een vrouwtje. In een territorium worden geen andere families geduld. Een territorium dat vrijkomt, zal snel weer ingenomen worden door een andere familie huismuizen. Bij binnen levende dieren worden bij overbevolking enkele individuen naar buiten gedreven, maar deze zijn niet gewend aan de levensomstandigheden buiten en sterven zodra het koud wordt. Binnen hun territorium bewegen ze zich voort over vaste looppaden. Familieleden herkennen elkaar aan de geur.

De huismuis maakt een rond hol in de grond, dat met een ingang is verbonden met een nestkamer, die op twintig centimeter diepte ligt. De gangen hebben een doorsnede van 3 cm. Voor het nest worden allerlei soorten zacht, gemakkelijk te versnipperen materiaal gebruikt, zoals papier, gras of textiel. In gebouwen leven ze onder de vloer of tussen opgeslagen artikelen. Het hol is altijd dichtbij een plek waar voedsel te vinden is. In het open veld komen gemiddeld 50 dieren per ha voor maar 750 komt ook voor.

Voortplanting en leeftijd

De voortplanting bij binnen levende populaties vindt het gehele jaar door plaats. Bij buiten levende populaties loopt de voortplantingsperiode van april tot september. Na een draagtijd van 19-21 dagen worden 4 tot 9 kale, dove en blinde jongen geboren. Na enkele dagen gaan hun ogen open en na twee weken hebben ze snijtanden. De zoogperiode duurt 3 weken en daarna verlaten ze het nest. Na twee maanden zijn de jongen geslachtsrijp en kunnen ze deelnemen aan de voortplanting. Bij hoge dichtheden worden de jongen van verschillende moeders soms gemeenschappelijk en in één nest grootgebracht. Vrouwtjes krijgen 5 tot 10 keer per jaar een nest.

In landbouwgebieden in Europa is er een geboortepiek in mei en juni. In hoger en dichter bij de poolcirkel gelegen gebieden zijn de worpen groter. Huismuizen kunnen 1,5 jaar oud worden, maar velen sterven tijdens hun eerste winter. Binnenshuis en onder laboratoriumomstandigheden kunnen ze 4 jaar oud worden.

Sporen

Vraatsporen

Vraatsporen van de huismuis zijn op allerlei materialen te vinden, eetbaar of niet. Zo knagen ze aan pijpen, buizen, bedrading, plastic verpakkingen, isolatiemateriaal en ook papier. De voortanden van huismuizen groeien gedurende hun hele leven door, waardoor het dier moet blijven knagen om deze tanden kort te houden.

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de huismuis kunnen in grote hoeveelheden worden gevonden. Een muis produceert ongeveer 50 keutels per dag. De keutels zijn cilindervormig en vaak aan een kant puntig. Ze zijn 4-6,5 mm lang en 2-3,5 mm in doorsnee. Vers zijn ze bruin tot groen, oud meestal zwart.

Loopsporen

Loopsporen van muizen in het algemeen zijn meestal moeilijk te determineren door de geringe afmeting en onduidelijk afdruk. De voorvoet van de huismuis is 9 mm lang en 10 mm breed en de achtervoet is 15 mm lang en 12 mm breed. De voorvoet heeft vier tenen en de achtervoet vijf. De prent toont sterk gespreide teentjes (vingervorming). De huismuis beweegt zich meestal voort met een sprongengalop. Huismuizen hebben geen vaste looppaadjes in hun leefgebied; er komen dus geen paadjes of wissels voor.

Bedreiging en bescherming

Natuurlijke vijanden zijn uilen en roofdieren zoals kerkuil, steenuil, vos en marterachtigen, maar ook bruine rat en kat. Wezels achtervolgen huismuizen zelfs tot in hun hol. De urine die huismuizen overal achterlaten, geeft ultraviolet licht af dat door roofvogels kan worden waargenomen. Hierdoor kunnen roofvogels de huismuizen en hun holen dus gemakkelijk traceren. Binnenshuis hebben huismuizen weinig vijanden, behalve de huiskat, mens en bruine rat. Ook sterven er veel dieren door winterse kou en voedseltekorten. De hoogste sterfte is onder de jongen.

De huismuis valt bij de mens vaak ten prooi aan vallen en gif als bestrijdingsmiddel. Bestrijding heeft doorgaans geen zin; de vrijgekomen plek wordt al snel weer ingevuld door nieuwe muizen(jongen). De beste methode ter voorkoming van schade is het goed opbergen van voedsel en het dichtmaken van kieren.

Waarnemen

Aan de hand van uitwerpselen en vraatsporen zijn huismuizen makkelijk te vinden (alhoewel die ook van andere soorten, zoals bijvoorbeeld bosmuis kunnen zijn). Huismuizen zijn niet erg schuw en kunnen goed geobserveerd worden. Ze zijn makkelijk in live-traps te vangen en in braakballen van kerkuil en steenuil maken ze vrijwel altijd deel uit van de prooiresten.