De vos (Vulpes vulpes)

 

 

Algemeen

De hondachtigen, waaronder ook de vos, behoren tezamen met de katachtigen, de marterachtigen en de beren tot de groep van de 'carnivoren' of vleeseters.

Uiterlijk

Volwassen vos (© Rollin Verlinde)
   Volwassen vos (© Wesley Overman)

Een vos is maar weinig groter dan een flinke kat, hoewel hij door zijn lange vacht en dikke staart vooral 's winters bedrieglijk groot lijkt. De vos heeft een oranjebruine, rode of bruingrijze vacht, korte poten en een langgerekt lichaam. De rug is donkerder dan de flanken en de buik is grijs tot bijna wit. Hij heeft een dikke, lange staart vaak met een witte punt. Hij heeft grote puntige oren die aan de achterzijde zwart zijn, een zwart-witte snuit en amberkleurige ogen. De wintervacht is veel dikker dan de zomervacht en meestal grijzer van kleur. De vos heeft een goed gehoor en reuk maar ziet minder scherp.

Afmetingen

Kop-romplengte: 50 – 80 cm
Staart: 33 – 50 cm
Gewicht: 3,5 – 10 kg
Het mannetje (rekel) is groter dan het vrouwtje (moer).

Geluid

Bij het vallen van de avond een kort, schril keffen. In de winter een lange, klagende, pauwachtige roep van het vrouwtje. In de bronsttijd geschreeuw en gegrom. Waarschuwende blafjes en klokkende geluidjes van het vrouwtje tegen haar jongen.

Leefgebied en verspreiding

De vos komt overal voor op het noordelijk halfrond behalve in hooggebergte. In Australië werd de vos ingevoerd door de Britten. In Nederland voornamelijk op de hogere gronden (oostelijke en zuidelijke provincies en Utrecht) maar breidt zich gestaag uit naar laaggelegen delen in het noorden en westen. Ook in de duinstrook tussen Noord- en Zuid-Holland komen vossen voor (hoogstwaarschijnlijk nadat ze door mensen daar zijn uitgezet). Van nature komen vossen niet voor op de Waddeneilanden. Met enige regelmaat wordt een vos door mensen hetzij levend hetzij dood daar naartoe gebracht. De levende exemplaren worden zo snel mogelijk gedood omdat de vos anders enorme schade toebrengt aan de vele vogels die er op de grond broeden.

De vos komt in vele leefgebieden voor, zowel in bos en parken, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden maar ook aan de randen van of in dorpen en steden. Hij leeft waar voldoende voedsel en dekking is en jaagt bij voorkeur in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is.

Leefwijze en voedsel

   Vos (© Richard Witte)

De vos is een schemer- en nachtdier en leeft in familiegroepen bij elkaar. Holen worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te slapen, in winter en voorjaar, als ze drachtig zijn of kleine jongen hebben. In de overige jaargetijden slapen ze meestal, net als de meeste mannetjes het gehele jaar door doen, op een beschut plekje bovengronds, onder een dichte struik bijvoorbeeld.

Vossen zijn opportunisten: ze leven van wat zich ter plaatse het gemakkelijkst laat verschalken. Kleine knaagdieren (vooral woelmuisen) en haasachtigen (haas, konijn) vormen het hoofdmenu. Maar ook vogels, insecten, eieren, bessen, afgevallen fruit, aas en afval wordt gegeten. Per dag heeft een vos ongeveer vijfhonderd gram voedsel nodig. De wijze waarop een prooi wordt gevangen is heel divers. Kleine prooidieren worden op het gehoor gevangen.

Soms besluipt de vos een prooi, soms zit hij de prooi achterna in een sprint. Vogelnesten worden leeggehaald, holen in de grond uitgegraven en fruit en bessen geplukt. Een ei houdt hij met de voorpoten vast, doorboort het met een hoektand en slobbert dan de inhoud op. Vossen eten ook egels en zijn meester in het doen ontrollen van de egel waarna hij deze doodbijt. Soms bijt hij de kop van een konijn en laat die liggen.

Soms vangen ze prooien die ze niet lekker vinden, zoals spitsmuizen of een wezel. Als ze niet heel veel honger hebben, laten ze die liggen. De vos bewaart soms voedsel achter loszittende boomschors of in een kuiltje, dat wordt toegedekt met aarde. Zelfs maanden later weet de vos door een combinatie van geur en herinnering de verstropte prooi terug te vinden.

Voortplanting en leeftijd

   Jonge vossen (© Bram Achterberg)

Vossen krijgen eenmaal per jaar jongen. De paartijd valt in december tot februari. Enkele dagen lang volgt het mannetje het vrouwtje overal waar ze gaat en voorkomt zo dat andere mannetjes met 'zijn' vrouwtje paren. De paring duurt vrij lang omdat het mannetje een tijdje aan het vrouwtje blijft vastzitten. In de dagen voor de geboorte blijft het vrouwtje in haar hol. Het mannetje brengt haar dan voedsel of ze haalt een verstopte prooi op. Na een draagtijd van ongeveer 53 dagen worden eind maart of begin april de 1 tot 14, maar meestal 4 tot 5 jongen geboren in een klein hol onder boomwortels of in een rotsspleet. De jongen hebben een donkergrijsbruine kleur.

Pas na een dag of twaalf gaan de oogjes van de jongen open. Hun eerste stapjes buiten het hol zetten ze na een week of drie, vier. Tegen die tijd worden ze meestal door het vrouwtje naar een ander, groter hol verplaatst. Na vier weken krijgen de jonge vosjes vast voedsel. Het mannetje woont niet in het hol maar brengt wel voedsel aan in de eerste weken. Vanaf half juni verblijven de jongen meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht struikgewas. Vanaf eind september gaan de jongen op zoek naar een eigen territorium. Hun zwerftochten strekken zich soms tot enkele tientallen kilometers afstand van hun geboorteplaats uit.

De vos staat bekend om de slachting die hij kan aanbrengen in een kippen- of eendenren. Ook in de natuur gebeurt dit heel af en toe in vogelbroedkolonies tijdens donkere nachten, vooral bij veel wind en regen. Deze schijnbaar zinloze slachting heet 'surplus-killing'. Het komt voort uit de neiging van een vos om elk beest dood te bijten dat er niet goed in slaagt weg te vluchten. Die aangeboren neiging is in de natuur van groot belang. Doet zich een buitenkansje voor, dan moet hij dat aangrijpen. 80% van de jongen haalt het eerste levensjaar niet. In het wild worden vossen 9 jaar oud, in gevangenschap tot wel 15 jaar.

Territorium en verblijfplaats

   Jagende jonge vos (© Bram Achterberg)

Vossen jagen alleen maar leven in familieverband waarbij soms vrouwtjes een gezamenlijk territorium delen. Afhankelijk van het voedselaanbod trekken jonge vrouwtjes weg uit het leefgebied of blijven juist. Jonge mannetjes trekken weg. In voedselrijke gebieden duldt het vossenpaar (rekel, moervos met welpen) nog één of twee andere volwassen vossen in hun territorium. Steevast zijn dat dochters van één of twee jaar eerder. Deze 'extra' vrouwtjes krijgen zelf bijna nooit jongen, maar helpen een handje bij het voedsel aanbrengen voor de jongen. Bij het wegvallen van de moeder (door verkeer of jacht bijvoor¬beeld) kunnen ze de hele opvoeding overnemen.

Een mannetje en zijn vrouwtje delen één territorium. Zij markeren hun leefgebied met urine en een afscheiding uit geurklieren uit staart, kop en voetzolen, tegen bomen, struiken, graspollen, etc. Met onbekende zwervers worden vaak felle gevechten geleverd om ze te verjagen. Mannetje en vrouwtje blijven soms jaren bij elkaar, maar soms verlaat een van hen het leefgebied. Van 'eeuwige trouw' is dus geen sprake. In de paartijd zoekt het mannetje wel eens een naburig vrouwtje op.

Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha maar kan ook vele malen groter zijn, afhankelijk van leefgebied en voedselaanbod. Dit varieert van 20 ha in stedelijk gebied tot wel 4000 ha in schraal heuvelland (Schotland). Aan de grootte van het territorium is af te lezen hoe 'goed' het leefgebied is: hoe meer voedsel en hoe groter de zekerheid dat voedsel er het hele jaar beschikbaar is, des te kleiner het territorium.

In Nederland is met behulp van zenders vastgesteld dat een vossenfamilie in 'rijke' natuurgebieden, zoals de Veluwezoom en de duinen, 50 tot 150 hectare (0,5 - 1,5 km2) nodig heeft; op de schralere, grotendeels beboste Veluwe zelf is dat ongeveer 250 hectare, terwijl in een meer naar het noorden gelegen landschap (Drenthe) van stukjes bos en heide, afgewisseld met veel akkers en weilanden, de vossenterritoria wel 900 hectare groot kunnen zijn. De territoriumgrens valt vaak samen met een autoweg, spoonlijn, sloot, helling,…

Vossen graven holen (burcht of wrang) die uit één of meer gangen bestaan met een diameter van 25 tot 30 cm. Vaak worden bestaande (konijnen-)holen uitgegraven. De ondergrondse holen zijn vooral bedoeld voor het grootbrengen van de jongen en worden gebruikt bij slechts weer of onraad. Overdag rusten vossen in legers tussen begroeiing of in een greppel. Dit wordt uitgekrabd en er zijn vaak vele vossenharen te vinden.

Ook dassenburchten worden benut door vossen. Bij een vossenhol ligt het uitgegraven zand recht voor de ingang; dassen deponeren het zand in een halfcirkel¬vormige of niervormige 'storthoop' rond de ingang. De holingang is bij een dassenburcht breder dan hoog, de ingang van een vossenhol daarentegen is ovaal, en hoger dan breed. Meestal hebben dassenburchten veel ingangen met grote storthopen, terwijl een vossenhol bescheiden van omvang is. Bij een dassenhol ligt vrijwel altijd nestmateriaal, meestal in de vorm van droog gras. Vossen bekleden hun holen niet. Bij een vossenhol hangt een typische, ranzig-zurige geur.

Sporen

Soms laten vossen plukjes haren achter op prikkeldraad, daar waar ze er vaak onderdoor kruipen. Vossenharen zijn 25 mm lang, recht, rood- tot grijsbruin met een lichte punt.

Prooiresten

Een vos bijt vaak enkele veren tegelijk af van een vogelprooi die dan aan elkaar blijven zitten. Ook een typische prooirest is een afgebeten achtervoet van een konijn of een haas. Kleine dieren eet de vos met huid en haar, van groter dieren zoals konijn en egel blijven stukken rughuid liggen.

Loopsporen

De prent van een vos lijkt op die van een hond maar is slanker. Van de vier tenen, met nagelafdruk staan de buitenste tenen geheel achter de binnenste tenen. Ook is de afdruk symmetrisch; bij een onduidelijke afdruk is niet goed te zien wat voor en achter is. De voorrand van de buitentenen komt niet voorbij de achterrand van de binnentenen; bij honden is dat wel het geval. Een vos loopt vaak in draf.

Uitwerpselen

De uitwerpselen vertonen een grote variatie in kleur, vorm en afmeting vanwege het zeer diverse dieet. Doorgaans lang, vingerdik (25 mm) en 6 tot 12 cm lang. Soms zwart (na eten van vlees), soms roodoranje (na eten duinbessen), blauwpaars (bosbessen) of rood (kersen). Soms viltig met veertjes (na eten van vogels), soms vezelig en harig (konijn, ree), soms met schilden (kevers) of grove botten (konijn, haas). Opgedroogd krijgen ze een grijze tot witte kleur.

Vossenkeutels liggen op een verhoogd plekje zoals bovenop een molshoop, graspol, kei of bij een paaltje. Vaak op gelijkmatige afstanden van elkaar op paden of langs sloten of in overgangsgebied tussen bosperceel en wei- of akkerland. Bij oude uitwerpselen liggen vaak ook verse keutels.

Bedreiging en bescherming

De vos heeft geen natuurlijke vijanden. In het buitenland worden (meest jonge) vossen wel eens door wolven, lynxen of steenarenden gepakt. Vijand in Europa zijn ziekten (hondsdolheid, schurft en parasieten) en de mens. Vroeger was hondsdolheid (rabies) een probleem. Nu is dit gevaar in West-Europa bedwongen doordat vossen gevoerd werden met aas waarin een vaccin zat.

Op enkele plaatsen in Oost- en Zuid-Nederland komt de vossenlintworm voor, een enkele millimeters grote darmparasiet. De eitjes daarvan kunnen ook mensen besmetten. Hoe de besmetting plaatsvindt en deze kan worden voorkomen, is onbekend. Door het territoriale systeem vinden veel van de opgegroeide jongen geen rustige woonplaats, worden maandenlang van hot naar her gejaagd door territoriale vossen en komen hierdoor soms om van de honger.

   Vos (© Richard Witte)

Tot 2002 viel de vos onder de Jachtwet en werd deze soort intensief bejaagd. Vooral voor de bescherming van de weidevogels wilde men de vos bestrijden. In de herfst en winter werden de opengevallen plaatsen in de vossenpopulatie steeds weer opgevuld door jonge vossen die in die tijd op zoek gaan naar een geschikte woonplaats. De jacht op vossen had dan ook weinig effect op de stand. Ondanks bejaging bleef de vos zich uitbreiden naar steeds meer gebieden in Nederland.

Vossen zijn snel in het ontdekken van plaatsen waar gemakkelijk voedsel te halen is. Erven met kippen en siervogels en konijnen trekken dan ook de aandacht van steeds weer nieuwe vossen. De beste bescherming hiertegen is de huisdieren 's nachts in een stevig, ook van boven en onder goed afgesloten hok op te sluiten. Als dat niet mogelijk is kan schrikdraad, op verschillende hoogten gespannen langs de buitenkant van het gaas, de vossen buiten houden. Soms helpt goede verlichting, maar vooral de aanwezigheid ('s nachts) van een hond op het erf ; daar zijn vossen als de dood voor.

Soms treft men één of meer jongen, schijnbaar verweesd en onbewaakt in de natuur aan. De neiging om ze mee te nemen is groot, vooral omdat ze geen enkele angst voor de mens hebben. Laat ze echter altijd met rust! De band tussen moeder en jong is bij vossen uitermate sterk. Zelfs als de moeder werkelijk dood is, dan nog is de kans groot dat haar jongen door andere vossen in de buurt geadopteerd worden.

Waarnemen

Het is niet zo gemakkelijk om een vos te zien te krijgen. Door eeuwenlange bestrijding zijn ze mensenschuw geworden en gaan bijna alleen in het donker op pad. De meeste kans is er in mei tot juli, 's ochtends heel vroeg, als de wijfjes nog lang in touw zijn om de jongen van voedsel te voorzien. In de duinstreek tussen Den Haag en IJmuiden is de kans een vos overdag te zien vrij groot.