Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

 

Bosmuis in tegenlicht (© Rollin Verlinde)
      Bosmuis (© Maaike Plomp)

Algemeen

De bosmuis behoort tot de ware muizen en kenmerkt zich door grote ogen en oren, een puntige snuit en een staart die vrijwel gelijk is aan de kop-romplengte. De bosmuis lijkt in vele opzichten (uiterlijk, leefgebied, voortplanting) sterk op de grote bosmuis. Deze komt echter alleen voor in Zuid-Limburg en de omgeving van Winterwijk, terwijl de bosmuis wijd verspreid door heel Nederland leeft.

Uiterlijk

De bosmuis heeft een geel- tot donkerbruine rug en een witte tot grijze buik. Er is geen duidelijke grens (demarcatielijn genoemd) tussen de zijden. Vaak heeft de bosmuis een gele borstvlek en een rugstreep. De gele borstvlek vormt nooit een halsband, in tegenstelling tot de grote bosmuis waar dit wel het geval is. Jonge dieren zijn grijsbruin op de rug en donkergrijs tot wit op de buik. De staart is lang en tweekleurig: donker van boven en licht van onder. De staartlengte is 80 tot 120% van de lengte het lijf. Over de staart lopen 130 tot 180 ringen. Hij heeft korte voorpoten met vier tenen en lange achterpoten met vijf tenen. De oren zijn groot en steken duidelijk uit de vacht en de ogen zijn donker en groot. Hij heeft een korte snuit met een roze neusspiegel en grijze snorharen en sterke tanden.

Afmetingen
lengte kop-romp: 75-110 mm
lengte staart: 70-115 mm
gewicht: 13-35 g
Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes.

Geluid

De bosmuis maakt zachte piepende geluiden en bij angst slaakt hij een korte hoge gil. Tijdens diverse sociale contacten en als de dieren in het nest zijn, maken ze ultrasone geluiden tot 70 kHz.

Leefgebied en verspreiding

De bosmuis komt in bijna heel Europa voor, met uitzondering van Noord-Scandinavië het grootste deel van Rusland en de Baltische Staten. Daarnaast komt hij ook voor op IJsland, enkele eilanden in de Middellandse Zee, Noordwest-Turkije en in Noordwest-Afrika. In de bergen in Noord-Europa leeft de bosmuis tot op 1200 m hoogte, in de Alpen tot 2000 m en in Zuid-Europa tot 2300 m.

In Nederland komt hij overal talrijk en algemeen voor, ook op de Waddeneilanden.
De bosmuis komt, ondanks zijn naam doet vermoeden, voor in zowel bossen als open terreinen, zolang er maar voldoende dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. De bosmuis is te vinden in duinen, heide, akkers, wegbermen, niet te natte rietlanden en braakliggend land. Maar ook in boomgaarden, parken en tuinen. In zeer natte terreinen en open weilanden komt hij niet voor.

Leefwijze en voedsel

De bosmuis is een nachtdier en is zeer actief. In de korte zomernachten is hij meestal gedurende een periode actief, in de langere winternachten meestal tijdens twee activiteitsperiodes met daartussen een rustperiode. Bij nat of koud weer is hij minder actief. Hij kan goed rennen, springen en klimmen dankzij sterke achterpoten waarmee hij zich op een kangoeroeachtige manier voortbeweegt. Bij onraad richten ze zich op de achterpoten. Ze hebben een scherpe reuk en herkennen andere muizen hoofdzakelijk aan hun geur. De bosmuis houdt geen winterslaap, maar bij voedselschaarste treedt er een soort verstarring van het lichaam op, waardoor veel minder energie wordt gebruikt.

De bosmuis heeft een gevarieerd dieet. Hij eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel en klimt hiervoor makkelijk in bomen. De bosmuis eet voornamelijk zaden van grassen maar ook van onkruiden, bessen, noten, wortels, paddenstoelen etc. Het dierlijk voedsel bestaat vooral uit spinnen, slakken, kevers en rupsen en poppen van dag- en nachtvlinders.

Soms legt de bosmuis een voedselvoorraad aan in de omgeving van zijn hol. Dit zijn kleine, cilindervormige putjes van ongeveer 3cm doorsnee, met soms meerdere op een rij en ze worden volgestouwd met graan- of maïskorrels. Ze worden op akkerranden gemaakt en zijn alleen als ze nog niet afgedekt zijn met aarde te zien. In zijn hol legt de bosmuis ook een voedselvoorraad aan. Deze voorraad kan enorm zijn. Een bosmuis eet zijn voedsel vaak op een eetplekje op. Vaak is dit onder struiken of bomen en soms gebruikt hij een oud vogelnest als plekje om rustig te kunnen eten.

Territorium en verblijfplaats

De grootte van het leefgebied is afhankelijk van biotoop en voedselaanbod. In bossen is een leefgebied van een mannetje gemiddeld 2250 m2 groot en dat van een vrouwtje 1800 m2. In schrale biotopen, zoals duinen, kan een leefgebied van een mannetje tot 36000 m2 zijn en voor vrouwtjes 16000 m2 zijn. De dichtheden verschillen per jaar en zijn het hoogst in de nazomer. Zo leveren er gemiddeld 4 tot 7 dieren per ha in het voorjaar en 13 tot 60 per ha in de nazomer.

Gemiddeld leggen ze per nacht 14-20m af, waarbij de mobiliteit van mannetjes veel groter is dan die van vrouwtjes. In de voortplantingstijd worden grotere afstanden afgelegd: tot wel 350 m en meer.
Mannetjes verdedigen hun territorium tegen indringers. Er is nog veel onduidelijkheid over hiërarchie en sociale interactie bij de bosmuis. Leefgebieden van mannetjes overlappen elkaar, dat van vrouwtjes niet.

De bosmuis graaft met zijn tanden en voorpoten een gangenstelsel tot 50 cm onder grond. Deze gangen hebben meestal 2 uitgangen, zijn ongeveer 1 meter lang en 3 cm in doorsnede en de ingang loopt recht naar beneden. De gangen worden gebruikt om de dag door te brengen en jongen te werpen en leiden naar voorraadkamers waar het voedsel wordt opgeslagen. Gangenstelsels kunnen generaties lang gebruikt worden en de uitgegraven aarde ligt meestal in een waaiervormig stortbergje voor de ingang. Het nest zelf wordt gemaakt van bladeren, mossen en grassen en ligt ondergronds of bovengronds. Soms wordt hiervoor een nestkast, vogelnest of boomholte gebruikt.

Voortplanting en leeftijd

Het voortplantingsseizoen van de bosmuis loopt van maart tot oktober, met een piek in juli en augustus. Na een draagtijd van ongeveer 23 tot 26 dagen, worden 3 tot 8 (gemiddeld 5 tot 6) jongen geboren. Later in het jaar worden de worpen kleiner (ook wel resorptie genoemd). De jongen worden blind en naakt geboren en wegen 1-2 gram. Later krijgen ze een grijze vacht. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen. Zogende vrouwtjes keren vaak terug naar het nest om de jongen te laten zogen. De zoogtijd duurt 18 tot 22 dagen. Als de jongen 7-8 gram wegen, verlaten ze het nest en gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied.

Een vrouwtje krijgt gemiddeld drie worpen per jaar. Jongen die vroeg in het jaar geboren zijn, zijn later dat jaar al geslachtsrijp, jongen die later in het jaar geboren zijn het daaropvolgende jaar. Mannetjes zijn meestal geslachtsrijp als ze zo'n twaalf gram wegen, vrouwtjes als ze vijftien gram wegen.
De bosmuis kan achttien maanden oud worden, maar wordt gemiddeld maar 3 maanden oud. In gevangenschap kan hij meer dan vier jaar worden.

Sporen

 

In de nawinter of vroege lente kunnen restanten van de voedselvoorraad gevonden worden, bijvoorbeeld lege kersenpitten. Een bosmuis werkt die namelijk zijn nest uit.
Het hol van een bosmuis kan herkend worden aan de uitgegraven aarde die in een waaiervormig stortbergje voor de ingang ligt. Naast de bruine rat is de bosmuis de enige muizensoort die dit doet. Het hol van de bruine rat is echter groter.

Vraatsporen

De bosmuis laat vraatsporen achter op sparren- en dennenkegels, paddenstoelen, beukennootjes, walnoten, bramen, maïskorrels, aronskelken, bloeiwijzen van bomen en twijgen. Deze worden zelden geheel opgegeten. Vraatschade van muizen is herkenbaar maar niet op soort te onderscheiden. Vraatschade aan naaldboomkegels bovenin bomen kan het werk zijn van de bosmuis. Vraatsporen aan hazelnoten kunnen het werk zijn van de bosmuis. Elke muizensoort houdt een hazelnoot anders vast en bewerkt deze anders. De bosmuis steekt de noot voor zich uit, in het verlengde van zijn snuit, maakt een gaatje met de onderste snijtanden en knaagt de noot al ronddraaiend verder aan totdat het gaatje groot genoeg is om de inhoud van de noot eruit te eten. Grote aantallen eikels onder bomen met parallel lopende snijvlakjes of flinke aantallen rozenbottels en zaadresten onder rozenstruiken zijn ook vaak het werk van de bosmuis.

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de bosmuis zijn cilindervormig en hebben stompe polen. De lengte is 4-6,5 mm en ze zijn 2-3,5 mm in doorsnede. Ze zijn, afhankelijk van het gegeten voedsel, bruin tot donkerbruin of groen. De keutels zijn moeilijk van die van andere ware muizen te onderscheiden. De keutels worden verspreid door het leefgebied uitgescheiden.

Loopsporen

De pootafdrukken van de voorvoet van de bosmuis zijn 12 mm lang en 15 mm breed en die van de achtervoet 20 mm lang en 15 mm breed. De voorvoet heeft 4 tenen en de achtervoet 5 waarvan er 2 naar buiten en 2/3 naar voren wijzen. Het staartspoor is vaak ook te zien. De bosmuis beweegt zich voornamelijk voort in sprongengalop.

Bedreiging en bescherming

Natuurlijke vijanden van de bosmuis zijn onder andere wezel, hermelijn, das, marter, vos, kat, steenuil, bosuil, velduil, kerkuil, ransuil en torenvalk. Komt vrijwel altijd voor in braakballen van kerk- en ransuil.
De bosmuis moet nooit aan de staart opgetild worden. De huid van de staart stroopt namelijk makkelijk af waarna het afgestroopte staartdeel afsterft.

Waarnemen

De bosmuis kan zeer gemakkelijk met een live-trap gevangen worden. Daarbij stopt hij soms de ingang van de inloopval met aarde en steentjes dicht. Met een bat-detector zijn ultrasone geluiden waar te nemen.

De bosmuis wordt soms voor een huismuis aangezien, maar is hiervan direct te onderscheiden door het ontbreken van de karakteristieke muffe lucht die huismuizen verspreiden. Ook is verwarring met de grote bosmuis mogelijk. Deze komt in Nederland echter alleen in Zuid-Limburg en aan de oostrand van ons land voor terwijl de bosmuis wijd verspreid door heel Nederland voorkomt.

Komt vaak voor in braakballen van bosuil, kerkuil en ransuil. Een stortbergje voor de ingang van een nest is goed herkenbaar en hiermee onderscheid de soort zich van andere muizensoorten (m.u.v. de bruine rat). Andere bewoningssporen zijn gemakkelijk te vinden, maar niet altijd te onderscheiden van andere muizen. Ook vraatsporen en uitwerpselen zijn moeilijk van andere soorten te onderscheiden.