Wezel en hermelijn - Een literatuuronderzoek naar habitatvoorkeur en monitoringstechnieken

Dit rapport betreft een literatuurstudie naar habitatvoorkeur en monitoringstechnieken met betrekking tot wezel (Mustela nivalis) en hermelijn (Mustela erminea). De literatuur is onder andere bemachtigd via RuQuest, Google Scholar en Web of Knowledge. Hoewel slechts enkele studies zijn uitgevoerd naar de habitatvoorkeur van de wezel, is hiervan met de literatuurstudie toch een redelijk beeld ontstaan. Duidelijk is dat de wezel in een grote diversiteit aan landschappen voorkomt. De aanwezigheid van dekking is echter noodzakelijk voor het voorkomen van de soort. Cultuurlandschappen lijken de voorkeur te hebben. In dergelijke landschappen wordt de dekking gevonden in de vorm van lijnvormige elementen. Bosranden en hagen met greppels hebben hierbij de grootste voorkeur. Vochtige terreinen worden gemeden door wezels.  
 
De hermelijn heeft in tegenstelling tot de wezel een voorkeur voor moerassige gebieden. Onduidelijk is waar deze voorkeur vandaan komt. Een mogelijke verklaring is dat in dergelijke terreinen meer grote prooidieren aanwezig zijn, zoals woelratten en hazen. Veel is er echter onbekend over de habitatvoorkeur van de hermelijn. Ook in cultuurlandschappen komt de hermelijn voor. Bosgebieden lijken te worden gemeden, hoewel het voorkomen van de soort in gesloten bossen soms wel wordt vastgesteld. Dekking is ook voor de hermelijn erg belangrijk en in cultuurlandschap bevinden de dieren zich, net als de wezel, enkel in de directe omgeving van lijnvormige elementen. Wel lijkt deze grotere marterachtige sneller zijn dekking te verlaten om sneller grote afstanden af te kunnen leggen.  
 
Wezel en hermelijn blijken een erg grote niche overlap te hebben en beïnvloeden elkaar daarom sterk. De grotere hermelijn verjaagt de wezel waarschijnlijk uit de meeste optimale habitats, hoewel directe interacties vrijwel nooit worden waargenomen. De wezel weet in overhoekjes van suboptimaal habitat echter goed te overleven, doordat de soort uiterst gespecialiseerd is in het bejagen van woel(muizen).  
 
Als tweede deel van de literatuurstudie zijn monitoringstechnieken en bijbehorende voor- en nadelen beschreven. De technieken die zijn gevonden betreffen: sporenbuizen, sporenbuizen met nestkasten, live-trapping, radiotracking, haarbuizen, geurstation, cameraval, marterbox, Scentinel, snowtracking, uitwerpselen testen op DNA, controleren van lemmingholen en killtrapping. Ook zijn verschillende lokmiddelen en de effectiviteit ervan beschreven. Elke techniek heeft zijn sterke en zwakke punten. Sporenbuizen scoren bijvoorbeeld op veel punten goed, maar moeten vaak worden bezocht en het onderscheid tussen wezel en hermelijn is hiermee niet altijd met zekerheid vast te stellen. Ook materboxen scoren op veel punten goed, alleen is het grootste nadeel dat deze een hoge aanschafwaarde hebben. Snow-tracking beïnvloedt de dieren op geen enkele manier in hun natuurlijke gedrag en is de methode met de hoogste trefkans. In Nederland is snow-tracking echter slechts enkele dagen per jaar mogelijk en in sommige jaren door de afwezigheid van sneeuwval zelfs helemaal niet. Haarbuizen, controleren van lemmingholen en kill-trapping zijn voor Nederland geen effectieve methode.                                                                       
 
Een groot gedeelte van de technieken is nog maar beperkt getest en verbeteringen zijn mogelijk. Het wordt daarom aanbevolen om meer ervaring op te doen met veelbelovende methodes. Met name de nieuwe technologie van cameravallen (in marterboxen) heeft veel potentie. Wanneer deze technieken in Nederland worden getest, kunnen twee vliegen in een klap worden geslagen, doordat dit tevens informatie over habitatgebruik oplevert. In Nederland is nog nooit gericht onderzoek gedaan naar de habitatvoorkeur van beide soorten. Ook over aantallen en verspreiding is weinig bekend en daarom zou langjarige monitoring zeer waardevol zijn.