Risicoanalyse graverij in dijken door bevers in de Gelderse Poort - Deel 2: Gendtse Polder & Lobberdense Waard

De beverpopulatie in Nederland neemt snel toe. Dat maakt het risico op het graven in waterkeringen ook groter. Waterschap Rivierenland ziet hierin terecht een risico voor de waterveiligheid. Het waterschap heeft de Zoogdiervereniging gevraagd een risicoanalyse uit te voeren in een deel van de Gelderse Poort, als vervolg op een eerdere vergelijkbare studie in de Bemmelse Waard (Dijkstra 2016). Dit project omvat het opsporen van locaties in een deel van de Gelderse Poort (Gendste Polder & Lobberdense Waard), die gevoelig zijn voor graafschade van bevers bij hoge rivierwaterstanden en het opstellen van een advies om de kans op het graven in waterkeringen door bevers te verkleinen. 
 
Rijkswaterstaat heeft ten behoeve van dit project een aantal modelanalyses uitgevoerd om een beeld te krijgen van de waterdiepten in de uiterwaarden bij verschillende waterhoeveelheden die via de Rijn ons land instromen. Daarmee ontstond een beeld van mogelijke hoogwatervluchtplaatsen in die uiterwaarden. Bij die analyses zijn eenheden gebruikt van 40x40 m. 
 
In de Gendste Polder en Lobberdense Waard is medio februari 2017 in het veld bekeken of de mogelijke hoogwatervluchtplaatsen daadwerkelijk geschikt zijn voor bevers. Daarnaast is gekeken naar locaties waar relatief eenvoudig een potentiele hoogwatervluchtplaats dusdanig ingericht kan worden dat deze functioneel wordt voor bevers. Er is tegelijkertijd een inventarisatie uitgevoerd naar territoriumgrenzen van bevers, aan de hand van geurmerken die de bevers normaliter in die tijd van het jaar nagenoeg alleen op territoriumgrenzen deponeren. 
 
In het veld werden onverwacht veel geurmerken aangetroffen. Dat maakte het bepalen van het aantal territoria lastig en werd het noodzakelijk om een range aan mogelijk territoria te geven. In de Gendtse Polder werden vijf tot zeven beverterritoria aangetroffen. In de Lobberdense Waard drie tot vier territoria. Dat relatief hoge aantal zorgt voor grotere risico’s op het graven in de waterkering, vooral tijdens hogere hoogwaters. In de meeste territoria zijn wel hoogwatervluchtplaatsen voor bevers aangetroffen, maar meestal zijn ze niet hoog genoeg om tijdens hogere hoogwaters functioneel te blijven. Deels gaat het daarbij om locaties die via de bureaustudie waren geselecteerd.  Op andere locaties werden echter ook relatief hooggelegen delen gevonden, die bij bevers tijdens relatief lage hoogwaters in gebruik waren. Deze zijn waarschijnlijk niet met de bureaustudie naar boven gekomen omdat de structuur kleiner is dan 40x40 m.  
 
Het is aan te bevelen een aantal stappen te ondernemen:

  • Het potentiële risico op het graven in waterkeringen door bevers tijdens hoogwaters dient met urgentie op de agenda van verantwoordelijke overheden te worden geplaatst.
  • Bij de planvoorbereiding van dijkverbeteringstrajecten er altijd vanuit gaan dat er bevers voorkomen of gaan voorkomen. 
  • Bepalen bij welke hoogwaters de hoogwatervluchtplaatsen minimaal functioneel moeten blijven.  
  • In overleg met grondgebruikers onderzoeken of een aantal hoge terreindelen, die relatief eenvoudig geschikt te maken zijn, als dusdanig ingericht kunnen worden.
  • De (potentiële) hoogwatervluchtplaatsen die momenteel in gebruik zijn inmeten om te bepalen bij welke waterstanden ze nog functioneel zijn en om te bepalen hoe ver ze eventueel opgehoogd moeten worden.  
  • Onderzoeken of er andere structuren zijn die minder opstuwing veroorzaken en eventueel gecombineerd kunnen worden met de functie van hoogwatervluchtplaats.