Lutra 61(2)_Bekker & Dekker_2018

Mollen (Talpa europaea) in wegbermen: een vooronderzoek in bermstroken in het agrarisch gebied van Zeeland

De centrale vraag in dit onderzoek luidt: welke functie hebben wegbermen voor de mol? Daartoe is nagegaan of er een relatie bestaat tussen de dichtheid van molshopen en (1) de breedte van de berm, (2) het type achterland en (3) het hoofdvoedsel van de mol: regenwormen en andere ongewervelden. In 2017 is onderzoek verricht in bermen van 14 wegen in het agrarisch gebied van Zeeland. In totaal zijn 1224 bermstroken van 50 m lengte onderzocht op aanwezigheid en aantallen van molshopen. Van elke bermstrook is de dichtheid van molshopen berekend, uitgedrukt als aantal molshopen per 50 m2. Het type achterland werd gescoord als ‘grasland’, ‘akker’, ‘bos’ of ‘bebouwd gebied’. Bij zeven wegen is in de bermstrook met de hoogste dichtheid aan molshopen een proefvlak bemonsterd ter bepaling van het voor de mol aanwezige voedsel. In elk proefvlak van 0,25 m2 is daartoe grond uitgespit tot op 15 cm diep en met de hand doorzocht op regenwormen en overige ongewervelden. Vervolgens is het uitgespitte proefvlak met mosterdpoeder behandeld om dieper levende prooidieren naar het oppervlak te drijven. In brede bermen werd een hogere dichtheid aan molshopen gevonden dan in smallere bermen. In bermen met grasland als achterland werd de gemiddeld hoogste dichtheid van molshopen vastgesteld, in die met een akker als achterland waren de gemiddelde dichtheden van molshopen ongeveer gelijk aan die van bermen met bos als achterland. Voor bebouwd gebied is de gemiddeld laagste dichtheid van molshopen in de bermen gevonden. In de zeven proefvlakken is de biomassa van regenwormen sterk positief gecorreleerd met de dichtheden aan molshopen in de betreffende wegbermstroken (correlatiecoëfficiënt: r=0,75), die van overige ongewervelden is negatief gecorreleerd met deze dichtheden (r=-0,36).