Vleermuizen rond de Oostvaardersplassen - Een beoordeling van het relatieve belang van de Oostvaardersplassen voor vleermuizen

Voor het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen is eind 2015 een beheerplan vastgesteld. Belangrijk onderdeel binnen dit beheerplan is het resetten van het moerasdeel. Hiervoor wordt de waterstand verlaagd zodat de rietvegetatie zich kan herstellen en uitbreiden. De waterstandsverlaging kan invloed hebben op het functioneren van de vleermuispopulaties als gevolg van de verandering van het jachtgebied. Potentiele negatieve effecten zouden vanuit de theorie vooral te verwachten voor de populaties van de water- en de meervleermuis. Dit zou een overtreding van de flora- faunawet betekenen. Tegelijk is maar relatief weinig bekend over het voorkomen van vleermuizen in het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. 
 
Daarom heeft de provincie Flevoland opdracht gegeven aan Landschapsbeheer Flevoland en de Zoogdiervereniging om onderzoek te verrichten naar het gebruik van de Oostvaardersplassen door vleermuizen en naar het relatieve belang van de Oostvaardersplassen voor die soorten. Met name de rol voor de meervleermuis is daarbij van belang. Er is een kraamkolonie bekend in Lelystad, en enkele verblijfplaatsen met enkele dieren in Almere, nabij de Oostvaardersplassen en het Markermeer is als Natura2000-gebied aangewezen als belangrijk gebied voor de meervleermuis. 
 
Bestaande en toegankelijke data is bijeengebracht en het potentiële jachtgebied in Flevoland van de verschillende vleermuissoorten is in kaart gebracht. Voor de meervleermuis is het potentiële jachtgebied op basis van onder andere een GISanalyse nader gekwantificeerd voor Zuidelijk en Oostelijk Flevoland. Gekeken naar oppervlakte maken de Oostvaardersplassen 30-50% van het potentiële jachtgebied uit voor de verblijfplaatsen in Lelystad en Almere. Het gebruik van de Oostvaarderplassen door vleermuizen is onderzocht door in het najaar van 2015 en de kraamtijd van 2016 drie transecten tweemaal af te leggen gedurende circa anderhalf uur tot drie uur. Op de transecten zijn met behulp van automatische batdetectoren (Elekon batloggers) alle vleermuisgeluiden opgenomen. Er zijn twee transecten op het water afgelegd en het derde transect doorkruiste het droge deel van de Oostvaardersplassen. Zo is op zowel het land als op het water circa 20 kilometer aan transecten bemonsterd per ronde. 
 
De opnames zijn geanalyseerd en op naam gebracht. Voor de vervolganalyse is vooral gewerkt met waarnemingen met een onderlinge afstand van meer dan 100 meter . Met deze benadering met zogenoemde ‘onafhankelijke’ opnames werd het effect van autocorrelatie tegengegaan . De activiteit van de vleermuizen is per soort vervolgens uitgedrukt als het gemiddelde aantal (onafhankelijke) waarnemingen van de twee rondes, per kilometer transect.  In het totaal zijn in de kraamtijd 642 en in het najaar 2829 opnames van vleermuizen gemaakt c.q. waarnemingen gedaan, respectievelijk 177 en 716 daarvan zijn als onafhankelijke waarnemingen beschouwd 
                                                                     
In de Oostvaardersplassen zijn de 7 vleermuissoorten waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis en bosvleermuis. De transecten zijn gericht geweest op het meer open landschap, zodat over soorten van beschut gebied zoals gewone grootoorvleermuis of franjestaart geen uitspraak kan worden gedaan. Het ontbreken van de soorten kleine dwergvleermuis en watervleermuis kan worden opgevat als een sterke aanwijzing dat deze soorten ook daadwerkelijk niet voorkomen in het gebied. 
 
De ruige dwergvleermuis werd het meeste waargenomen, zowel in het najaar als in de kraamtijd. De soort werd voornamelijk boven water aangetroffen en dan zowel boven open water als langs de beschutte randen. De meervleermuis werd vrijwel uitsluitend langs de beschutte randen van het water aangetroffen en was qua aantal onafhankelijke waarnemingen de tweede soort. Ze maakte vooral in het najaar gebruik van de Oostvaardersplassen. Ook voor de overige waargenomen soorten was de activiteit het hoogst in het najaar. In tegenstelling tot de ruige dwergvleermuis werd de gewone dwergvleermuis met name boven het land waargenomen, de rosse vleermuis werd vrijwel niet waargenomen in de kraamtijd, maar in het najaar over vrijwel het gehele gebied. Mogelijk betrof het vooral migrerende dieren. Laatvlieger, bosvleermuis en tweekleurige vleermuis werden slechts incidenteel gehoord. 
 
Omdat bleek dat de meervleermuis vooral langs de randen van de open wateren jaagt, is een vergelijking van het belang als jachtgebied op basis van alleen de oppervlakten water niet geschikt. Geschat is dat voor wat het aanbod aan waterkanten betreft de Oostvaardersplassen zo’n 15-25% van het potentiële bejaagbare gebied voor de meervleermuis in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland uitmaken. Rekening houdend met de brede rietkragen en plas-dras delen van de Oostvaardersplassen als voedsel- c.q. insecten-producerende gebieden, wordt geschat dat de Oostvaardersplassen ten opzichte van de overige wateren (diepe, steilere oevers, geringer insectenproducerend vermogen), zo’n 30-50% uitmaken van het voedselproducerend en bejaagbaar gebied voor de meervleermuiskolonie(s) in Almere en Lelystad in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland.  
 
Voor de overige vleermuissoorten is buiten de Oostvaardersplassen relatief veel meer alternatief jachtgebied aanwezig en spelen de Oostvaardersplassen dan ook een relatief veel kleinere rol als jachtgebied.