Van harte aanbevolen: poep onderzoek voor beschermde woelmuis

31 maart 2015

De noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) is een echte ‘hollandse muis’. Het diertje komt alleen nog voor in zeer natte moerasgebieden en in drassige veenweidegebieden. Hollandser kan je het niet hebben. Maar omdat de menselijke medebewoners van zulke gebieden wel van droge voeten houden, is zulke natte natuur steeds zeldzamer geworden en daarmee ook de noordse woelmuis. In veel leefgebieden die droger zijn geworden heeft de noordse woelmuis gezelschap gekregen van de veldmuis en de aardmuis. De noordse woelmuis stelt de aanwezigheid van andere woelmuizen niet op prijs en verdwijnt.

Erg jammer, want de noordse woelmuizen in Nederland vormen een aparte ondersoort die verder nergens ter wereld voorkomt. De soort is inmiddels beschermd door de Nederlandse Flora- en faunawet en de Europese Habitatrichtlijn. Deze bescherming houdt in dat de noordse woelmuizen en hun leefgebieden goed in de gaten gehouden moet worden en dat negatieve effecten zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Het vervelende is echter dat de noordse woelmuis zich niet zo makkelijk in de gaten laat houden. De vele vangnachten met inloopvallen of het uitpluizen van bergen uilenballen op zoek naar schedeltjes kosten erg veel tijd.

De Zoogdiervereniging, RAVON, Bureau Endemica en SPYGEN hebben daarom een nieuwe simpele methode bedacht om de noordse woelmuis op de kaart te zetten. Woelmuizen maken kleine keutelhoopjes en uit deze keutels, muizenpoep, is DNA te halen. Door in een laboratorium te kijken van welke woelmuis dit DNA is, is heel makkelijk te achterhalen welke woelmuizen er in een gebied rondlopen. Dat was in ieder geval het idee op papier.

In 2013 en 2014 zijn praktijkproeven gedaan en de resultaten waren spectaculair. Zolang keutels als keutels herkenbaar zijn, is er DNA uit te halen. In Nederland waar het vaak regent, wijst de vondst van keutels daarom op recente aanwezigheid van de soort. Voor het testen van de methodiek zijn 24 controle-monsters verzameld van 3 soorten woelmuizen. Met behulp van een DNA-analyse wisten de laboranten alle 24 monsters correct op naam te brengen. De ultieme test is uitgevoerd in het najaar van 2014, waarbij in het Wormer- en Jisperveld, een veenweidegebied in beheer bij Natuurmonumenten, op 10 locaties is gezocht naar woelmuizen-poep. Op dezelfde 10 locaties was een maand eerder ook onderzoek gedaan met inloopvallen. Op exact dezelfde plekken waar de inloopvallen hadden gestaan, werden nu keutelhoopjes verzameld. Dit lukte een ervaren ecoloog op 80% van alle plekjes waar vallen hadden gestaan. Van deze 80 hoopjes met poep bleken er 93% van noordse woelmuizen te zijn. De noordse woelmuis werd op alle 10 locaties aangetoond. Ter vergelijking, met de inloopvallen was de noordse woelmuis maar op 7 van de 10 locaties gevangen. De resultaten laten zien dat het ‘poep zoeken’ een veel hogere kans geeft op het aantreffen van de noordse woelmuis.

Behalve effectief, is de nieuwe DNA-methode om de noordse woelmuis aan te tonen ook nog eens flink goedkoper. De kosten van keutels zoeken en lab-analyse liggen twee tot drie keer lager dan onderzoek met inloopvallen. Bijkomend voordeel van het poep-onderzoek is dat er geen onbedoelde sterfte meer optreedt onder andere kleine zoogdieren in de inloopvallen. Poep zoeken is daarmee goedkoop, effectief en diervriendelijk en van harte aanbevolen! Wilt u meer uitleg en achtergronden over de e-DNA methode voor het inventariseren of monitoren van noordse woelmuizen? Lees dan het artikel over het inventariseren van noordse woelmuizen met eDNA in De Levende Natuur.

Verder lezen?

Geïnteresseerd geraakt in onze methode?
Neem dan vrijblijvend contact op met de Zoogdiervereniging.
Ellen van Norren (ellen.vannorren@zoogdiervereniging.nl) of Dick Bekker (dick.bekker@zoogdiervereniging.nl) staan u graag te woord.

Tekst: Zoogdiervereniging
Foto's: Jelger Herder

 

Publicatiedatum: 31 maart 2015