Hopping detectors in stedelijk gebied - bewoners doen slapend vleermuisonderzoek

3 september 2015

Standaard onderzoek naar vleermuizen is gespecialiseerd werk, kostbaar, tijdrovend en spreekt een beperkte groep mensen aan. Veel mensen vinden vleermuizen interessant en willen daar graag meer over weten. Als aanvulling voor het standaard onderzoek werkt het Bureau van de Zoogdiervereniging met zogenaamde ‘hopping detectors’. Dit levert tot nu toe verrassende resultaten op.

Vleermuizen en steden

Enerzijds zijn alle soorten vleermuizen strikt beschermd, anderzijds is de kennis over verspreiding beperkt. Daardoor worden vleermuizen binnen het gemeentelijk beleid als lastige diergroep ervaren, die voor ruimtelijke projecten de nodige uitdagingen oplevert.

In steden vinden in korte tijd grote veranderingen plaats qua bebouwing en infrastructuur. Daarbij herbergen steden vaak  meer functies voor vleermuizen dan diverse natuurgebieden. Veranderingen hebben bijna altijd invloed op de aanwezige functies voor vleermuizen. Daarom is voor deze veranderingen bijna  altijd een ontheffing nodig van de Flora- en faunawet. Voor de onderbouwing van deze ontheffingsaanvraag staan de volgende vragen centraal:

  • Welke (wijken) delen van de stad zijn meer of minder belangrijk voor vleermuizen?
  • Wat is de waarde van alle (privé) tuinen t.o.v. het stedelijk groen?

Met de beschikbare gegevens zijn deze vragen in de praktijk niet goed te beantwoorden.  Het is daarom noodzakelijk dat meer onderzoek plaatsvindt naar de soorten die gebruik maken van steden door heel het jaar heen. Denk daarbij aan onderzoek naar welke de delen van een stad belangrijk zijn als verblijfplaats en voedsellocatie. Maar bijvoorbeeld ook de relaties tussen soorten, functies en wijkopbouw, leeftijd en verspreiding van groenstructuren zou nader bekeken moeten worden.

Onderzoek ‘Vleermuizen in je tuin’

In 2013 en 2014 heeft het Bureau van de Zoogdiervereniging in samen werking met de gemeenten Utrecht, Wageningen en Wijchen een project uitgevoerd waarbij bewoners zelf waarnemingen van vleermuizen in hun tuin verzamelden. Een training was niet nodig, aangezien zij uitsluitend een batlogger moesten ophalen, twee tot drie nachten in hun tuin plaatsen, de geluidsdata op een schijf moesten overzetten en vervolgens de detector weer doorgaven.

Per stad/dorp werden 10 tot 52 tuinen bemonsterd (in totaal 96 tuinen) en in Utrecht ook 8 parken. De opgenomen geluiden zijn door het Bureau van de Zoogdiervereniging geanalyseerd. In totaal zijn bijna 112.000 vleermuisopnamen gemaakt. Omdat alle tuinen op een standaard manier zijn bemonsterd, zijn de resultaten vergelijkbaar tussen de steden, dorpen, seizoenen, wijken en jaren.

Verrassende resultaten

Gebleken is dat veel meer soorten vleermuizen gebruik maken van de stad als jachtgebied dan eerder werd aangenomen. Rosse vleermuizen en ruige dwergvleermuizen werden bijna in alle tuinen opgenomen (zie figuur 1), zelfs tot in de binnenstad. Zeldzame soorten als kleine dwergvleermuis, bosvleermuis en tweekleurige vleermuis bleken in deze kleine steekproef ook voor te komen in de stedelijke omgeving.

Figuur 1. Presentie van verschillende vleermuissoorten in stedelijke tuinen (gemeten over 4-6 nachten in 2 seizoenen).

Vooral  later in de nacht bezoeken diverse soorten de stad. Waarschijnlijk komen ze uit het koudere buitengebied naar het warmere binnenstedelijke gebied om te foerageren.

De resultaten geven aan, dat de gehanteerde indeling van typische stedelijke soorten en bossoorten van vleermuizen aanpassing behoeft. Net als het idee dat dichtbebouwde stadscentra geen geschikt leefgebied vormen. Soorten uit de Myotis-groep (franjestaart, watervleermuis, baardvleermuis, meervleermuis) bleken zeldzamer dan verwacht.  Zij werden vooral aan de stadsrand opgenomen. Deze soorten hebben het stedelijk gebied deels wel nodig om te overwinteren.


Ruige dwergvleermuis (foto: Wesley Overman).

Afname aanwezigheid bij stedelijke verdichting

Er werden ook aanwijzingen gevonden, dat de presentie van vleermuizen in tuinen afneemt met toenemende stedelijke verdichting. Dit gold voor de laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis. Er lijken (verklaarbare) verschillen te zijn tussen wijken en de aanwezigheid van vleermuissoorten. Deels heeft dit te maken met de aanwezige typen verblijfplaatsen (zomer of winter) en deels met aanwezige groenstructuren. Voor verdergaande conclusies moeten meer wijken en steden onderzocht worden.

Wat kunnen we met hopping detectors?

Deze betrekkelijk eenvoudige techniek levert:

  • Binnen één zomerseizoen een complete soortenlijst van vleermuizen.
  • Een goed inzicht van de waarde van tuinen voor vleermuizen t.o.v. andere groengebieden.
  • Data met hoge kwaliteit voor vergelijkingsanalyses.
  • Draagvlak bij bewoners voor vleermuisbeschermingsmaatregelen.

Deze relatief eenvoudige methode leverde in met andere methoden zeer goed onderzochte steden/dorpen twee nieuwe soorten op. In redelijk onderzochte steden/dorpen waren dit er vier. Dit belooft wat voor andere steden en dorpen!

Tekst: Eric Jansen en Hans Hollander, Bureau van de Zoogdiervereniging

Meer informatie over hoe u efficiënter vleermuizen kan  inventariseren met buurtbewoners is te vinden in de flyer (pdf) over het gebruik van Hopping  Detectors.

 

Publicatiedatum: 03 september 2015