Van Marokko tot Schiermonnikoog, huisspitsmuizen!

18 februari 2010

De huisspitsmuis (Crocidura russula) komt voor van Marokko tot aan Schiermonnikoog en van Westkappelle tot het uiterste westen van Oostenrijk. Nederland vormt dus het meest noordelijke leefgebied van deze soort.

Het gaat goed met de huisspitsmuis in ons land. Was de soort tot 1990 slechts bekend van lagere dichtheden in Oost-Nederland en Zeeland, anno 2010 is Nederland grotendeels dicht bevolkt. Overal waar in 2009 door de Zoogdiervereniging voor onderzoek muizen werden gevangen, ritselde het van de huisspitsmuizen. Nog nooit werden er zoveel exemplaren gevangen als afgelopen jaar.

De huisspitsmuis is echter slecht bestand tegen kou en bijbehorend voedselgebrek. Een koude sneeuwrijke winter, zoals de huidige winter (2009/2010), kan voor veel spitsmuizen tot een dodelijke shocktoestand leiden. Naar verwachting zal de dichtheid aan huisspitsmuizen in 2010 dan ook veel lager uitpakken dan in 2009.

De huisspitsmuis is vooral 's nachts actief, maar kan ook overdag waargenomen worden. Hij jaagt op ongewervelde dieren als insecten, larven, pissebedden, slakken, wormen, maar ook gewervelde dieren als hagedissen, jonge muizen en aas. Hij moet dagelijks zijn eigen lichaamsgewicht aan voedsel binnenkrijgen, ook in de winter. Voedseltekort en kou tijdens de winter kunnen echter leiden tot hoge sterfte.



In de Nederlandse literatuur wordt pas in 1822 voor het eerst melding gemaakt van de huisspitsmuis in ons land (Bennet & Olivier 1822). In 1864 meldt Van Bemmelen dat de soort waarschijnlijk overal in Nederland voorkomt en bekend is van Noord-Holland (ten zuiden van het Noordzeekanaal), Zuid-Holland Utrecht, Gelderland, Overijssel en Groningen. Diverse zoogdierdeskundigen melden later dat de soort bijna overal in ons land aangetroffen word maar nergens algemeen is en vooral in het noorden lijkt te ontbreken (Van den Brink 1931, Eykman 1937, Schreuder 1942).

Tot 1970 was de belangstelling voor zoogdieren vrij gering en werden waarnemingen slechts sporadisch genoteerd. Vóór 1950 werden vrijwel alleen waarnemingen in het zuiden van Nederland genoteerd met slechts vier waarnemingen ten noorden van het Noordzeekanaal en een waarneming in de Noordoostpolder. In tegenstelling tot de vermelding van Van Bemmelen zijn er geen waarnemingen bekend uit Groningen terwijl daar wel braakballen zijn onderzocht. In de jaren zestig beperken de waarnemingen zich met name tot ten zuidoosten van de lijn Rotterdam-Utrecht-Apeldoorn-Denekamp. In Drente en het zuiden van Friesland en Groningen worden enkele huisspitsmuizen opgemerkt.


Figuur 1. Verspreidingsbeeld huisspitsmuizen in 1990.

In de periode 1970-1990 werden vrij veel waarnemingen gedaan door middel van braakballenonderzoek en vangsten. In deze periode blijkt de soort voornamelijk voor te komen in de oostelijke helft van ons land en Zeeland. Concentraties zijn zichtbaar in Zuid-Limburg, rond Nijmegen, het Gooi en Assen. De waarnemingen breiden zich sterk uit naar Drenthe, Friesland, Groningen en zelfs tot op Schiermonnikoog (eerste melding 1976).


Figuur 2. Verspreidingsbeeld huisspitsmuizen in 2000.

In de periode 1990-2000 breiden waarnemingen van de huisspitsmuis zich sterk uit in Noord-Holland. Bovendien weet de soort Ameland te bereiken. In Oost-Nederland neemt de dichtheid aan geregistreerde waarnemingen sterk toe en vooral vanuit de genoemde kerngebieden uit de periode 1970-1990. Vanaf Rotterdam lijkt de huisspitsmuis zich sterk uit te breiden richting het noorden (Zoetermeer) en vanuit de Amsterdamse Waterleidingduinen naar het zuiden.

In de periode 2000-2005 gaat de groei van vondsten in ons land onverminderd door en ontstaat op het kaartbeeld één aaneengesloten leefgebied van Nijmegen tot aan Maastricht en van Nijmegen tot aan het Gooi. Ook in het oostelijk deel van Gelderland en Flevoland worden steeds meer waarnemingen gedaan.

Figuur 3. Verspreidingsbeeld huisspitsmuizen in 2005.

Vanaf 2005 gaat het hard. Ameland en Texel raken gekoloniseerd en heel Goeree-Overflakee evenals Voorne worden bevolkt. Dichtheden versterken zich rond de lijn Maastricht-Nijmegen-Apeldoorn-Meppel-Leeuwarden. In 2010 komt de huisspitsmuis voor van Den Helder tot aan Sluis. Flevoland raakt langzaam bewoond maar de Noordoostpolder blijft achter qua meldingen. Ook het westen van Brabant en oostelijk deel van Zuid-Holland lijken momenteel nog zeer dun bevolkt met huisspitsmuizen. Mogelijk komt dit door gebrek aan (braakbal-)gegevens uit deze regio. Het geringe aantal van de Veluwe komt waarschijnlijk vooral doordat dit bosgebied geen optimaal leefgebied is voor de huisspitsmuis. Vlieland en Terschelling zijn voorlopig nog niet gekoloniseerd.

Figuur 4. Verspreidingsbeeld huisspitsmuizen eind 2009.

Vanwege de koude winter zal het aantal huisspitsmuizen in het voorjaar van 2010 beduidend kleiner zijn dan in 2009. Pieken en dalen in aantallen zijn niet ongebruikelijk bij muizen. Naar verwachting zullen komend inventarisatieseizoen dus minder huisspitsmuizen gevangen worden. De opmars die in Nederland gaande is zal echter hooguit vertraagt worden. De huisspitsmuis zal begin dit jaar mogelijk verdwenen zijn uit enkele nieuw gekoloniseerde gebieden maar, mede afhankelijk van de strengheid van komende winters, zal de uitbreiding doorgaan totdat voor heel Nederland een maximum bereikt is.


Foto: huisspitsmuis, Richard Witte van den Bosch

Publicatiedatum: 19 februari 2010