De bruinvis is terug in de Oosterschelde


19 september 2010
 

De bruinvis is terug in de Nederlandse Delta en plant zich er zelfs voort. Dat blijkt uit onderzoek van Stichting Rugvin, dat op verzoek van het WNF Nederland wordt uitgevoerd. De onderzoekers willen achterhalen hoeveel bruinvissen er in de Oosterschelde leven, of de dieren jaarrond aanwezig zijn, of ze door de Oosterscheldekering heen zwemmen én of de dieren zich hier ook voortplanten. Frank Zanderink en Nynke Osinga schreven erover in het jongste nummer van Zoogdier.

Toen de Zeeuwse wateren nog in verbinding stonden met open zee, waren waarnemingen van bruinvissen heel gewoon. In de jaren tachtig werd de Oosterscheldekering gebouwd: een bouwwerk van negen kilometer dat de Oosterschelde bij zware storm afsluit van de Noordzee. Normaal staan alle poorten van 42 meter breed open en kan het zeewater bij eb en vloed vrijelijk naar binnen- of buitenstromen. Het is niet aannemelijk dat er in de jaren tachtig al bruinvissen aanwezig waren in de Oosterschelde. Hierover is echter geen informatie bekend.

Schippers van Rijkswaterstaat, vissersboten en plezierjachten laten weten dat zij sinds een jaar of tien bruinvissen zien in de Oosterschelde. In 2009 besloot Rugvin in samenwerking met het WNF een onderzoeksprogramma op te stellen om meer te weten te komen over de bruinvis in de Oosterschelde. De meest dringende vragen zijn: hoeveel dieren leven er in de Oosterschelde; planten zij zich hier voort en zwemmen de bruinvissen door de kering ook naar de Noordzee of zijn ze ingesloten?

Rugvinnen
Om het aantal dieren in de Oosterschelde vast te stellen besloot Frank Zanderink, initiator van Rugvin, om het gebied letterlijk uit te kammen aan de hand van een scan met meerdere boten tegelijk. In september vorig jaar voeren acht boten parallel aan elkaar onder ideale weersomstandigheden (Bft 0-1) vanaf de Oosterscheldekering naar het oosten. Iedere boot had minimaal drie ervaren waarnemers aan boord en er was overlap in het gebied wat elke bemanning kon overzien tussen de boten. In totaal werden er na uitsluiting van dubbeltellingen 37 dieren geteld waarvan vijf kalfjes. De kans dat er dieren aan het oog waren onttrokken was minimaal, aangezien het water zo vlak als een spiegel was. Het geoefende oog van de waarnemers spotte iedere rimpeling in het water. Dit jaar, op 22 mei, werd een tweede scan uitgevoerd onder minder gunstige omstandigheden (Bft 3-4). Op deze dag telden de waarnemers vijftien bruinvissen. Hiermee is echter wel aangetoond dat de dieren zowel in het voorjaar als in het najaar in een relatief grote groep aanwezig zijn in de Oosterschelde. Eind juni 2010 zijn tijdens korte boottochten door Rugvinwaarnemers kalfjes waargenomen wat aantoont dat de dieren zich hier voortplanten.




Akoestisch onderzoek
Naast de tellingen die Rugvin uitvoert, wordt de aanwezigheid van bruinvissen in de Oosterschelde gedurende het hele jaar ook bevestigd door waarnemingen van schippers en recreanten op het water. Maar de vraag die hieruit voortkomt is waarom de bruinvissen niet, net als hun soortgenoten in de Noordzee, in het voorjaar naar het Noorden wegtrekken. Zijn de dieren misschien toch min of meer opgesloten?

Bruinvissen zijn namelijk erg gevoelig voor onderwaterlawaai en dat is ter hoogte van de kering bijna 24 uur per dag aanwezig. Het zeewater dat bij eb en vloed naar binnenstroomt maakt veel lawaai en valt binnen het bereik dat bruinvissen kunnen horen. Toch zullen ze ooit een keer naar binnen zijn gezwommen. Vier keer per dag valt de stroming tijdens de kentering stil. Zou dit de kans zijn voor bruinvissen om ongestoord door de kering naar binnen (en naar buiten?) te zwemmen? Om dit aan te tonen heeft Rugvin drie C-pods aangeschaft. C-pods zijn digitale hydrofoons - een microfoon onder water - die gedurende een lange periode al het onderwatergeluid registreren en opslaan. Een speciaal programma filtert het door bruinvissen geproduceerde geluid eruit.

Sinds eind vorig jaar hangen twee C-pods in het water van de Oosterschelde aan vlotten van de veiligheidslijnen van de kering. Eén C-pod hangt aan de Noordzeekant op enkele honderden meters van de kering. Dankzij samenwerking met Rijkswaterstaat is het mogelijk om regelmatig vanaf de boot de Hammen met kapitein Peter Koppenaal de C-pods te voorzien van nieuwe batterijen en de opgeslagen data te verzamelen. Als een bruinvis door de kering heen zwemt, verwachten de onderzoekers zowel binnen als korte tijd later buiten de kering (of vice versa) bruinvisgeluiden te registreren.



Succesvolle opnames
Vooral aan de binnenkant van de kering zijn veel bruinvisgeluiden waargenomen. Een eerste analyse laat zien dat de bruinvissen zich bij alle getijden (eb, vloed en kentering) in de buurt van de C-pods zijn. De dieren lijken zich dus niet al te veel te storen aan de stroomgeluiden op enkele honderden meters afstand. Of bruinvissen ook vlakbij de kering komen moet nog blijken. Ook zijn er nog geen aanwijzingen gevonden dat de dieren daadwerkelijk door de kering zwemmen. De komende maanden zullen de Rugvinners dit onderzoek voortzetten. Het kan echter ook zijn dat de bruinvissen vanwege de ruime hoeveelheid voedsel in de Oosterschelde simpelweg niet de behoefte hebben om weg te trekken en daarom in tegenstelling to hun soortgenoten in de Noordzee niet naar het Noorden wegtrekken.
 

Tekst: Frank Zanderink en Nynke Osinga in Zoogdier
Foto: WouterJan Strietman
 

Publicatiedatum: 19 oktober 2010