Veldmuis (Microtus arvalis)

 

Algemeen

Veldmuis (© Paul van Hoof)
   Veldmuis (© Paul van Hoof)

De veldmuis behoort tot de woelmuizen. Woelmuizen kenmerken zich door een meer gedrongen, ietwat lompe bouw, een stompe kop met kleine ogen en oren. De staat is korter dan het lichaam (tot maximaal 80 % van kop-romplengte). Verder staan woelmuizen bekend om hun uitzonderlijke voortplantingsvermogen wat soms tot ware plagen kan leiden.

Uiterlijk

De veldmuis heeft op zijn rug een dof geel- tot bruingrijze, zachte vacht en zijn buik is vuilwit tot lichtgrijs. Er zijn vele kleurvariëteiten. De vacht is kort en oogt glad. Hij heeft een relatief korte, behaarde staart die aan de bovenzijde donkerder gekleurd is dan aan de onderzijde. Hij heeft een stompe snuit met korte snorharen en kleine, donkere ogen. De binnenzijde van het oor is met korte, stijve haren bezet.

Afmetingen

lengte kop-romp: 90-130 mm
lengte staart: 25-45 mm
gewicht: 14-45 gram

Geluid

De veldmuis is redelijk zwijgzaam. Hij maakt hoge, sjirpende, eenlettergrepige piepende geluiden. Jonge veldmuizen maken ultrasone geluiden.

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de veldmuis loopt van West-Europa tot Centraal-Azië. De zuidgrens loopt door Noord-Spanje, de Alpen, de Balkan en de Kaukasus. De noordgrens loopt door Nederland, Denemarken en Zuid-Finland. Ze ontbreken op de Britse eilanden (met uitzondering van de Orkney Eilanden). Ze worden in berggebied waargenomen tot op 3000 meter hoogte.

In Nederland komt de veldmuis overal verspreid voor, behalve op de Waddeneilanden (wel op Ameland en Schiermonnikoog). Sinds de jaren ’50 ook in de polders van zuidelijk en oostelijk Flevoland.

De veldmuis komt voor in open gebieden met grassen en/of granen, zoals graanakkers, wegbermen, dijken, spoorwegtaluds, slootkanten, boomgaarden, graslanden en klavervelden. Ze hebben een voorkeur voor drogere gebieden met kort gras. Ze ontbreken in drassige streken, bossen en in gebieden met hoge begroeiing.

Leefwijze en voedsel

Veldmuizen zijn 's nachts en in de schemering actief en overdag iets minder. Per etmaal hebben ze ongeveer tien perioden van activiteit. Deze activiteitsperioden worden afgewisseld met rustpauzes van ongeveer twee uur. Veldmuizen komen bijna allemaal tegelijkertijd tevoorschijn om te gaan eten. Waarschijnlijk is dit om de kans op predatie door roofdieren te verkleinen, Ze klimmen en springen zelden of nooit. De veldmuis houdt geen winterslaap.

De veldmuis eet voornamelijk plantaardig voedsel zoals groene delen van grassen, russen en kruiden. Daarnaast eet hij zaden, graankorrels, wortels, knollen, vruchten, bladeren, mos, klaver en koolzaad. Soms eet hij ook spinnen of wormen. De veldmuis sleept voedsel naar zijn hol om een voorraad aan te leggen. In de winter eet hij schors van jonge bomen en eet hij van aangelegde voedselvoorraden. Hier gaan ze heel zuinig mee om.

Territorium en verblijfplaats

Het leefgebied van een vrouwtje is 300-400m2, dat van een mannetje 1200-1500m2 en van een jong dier 200-300m2. De soort leeft vaak alleen in een hol maar ‘samenwonen’ komt ook voor. Het territorium wordt tegen soortgenoten verdedigd. Vrouwtjes hebben gescheiden territoria terwijl die van de mannetjes elkaar overlappen. Tussen de mannetjes vinden veel gevechten en verjagingen plaats. In de zomer kunnen mannetjes en vrouwtjes paarsgewijs in een gezamenlijk territorium leven. In de winter is de sociale structuur minder duidelijk, overlappen de leefgebieden elkaar en zijn de dieren minder territoriaal.

De veldmuis blijft doorgaans binnen een afstand van 6 tot 8 meter van zijn hol. Er leven, afhankelijk van het voedselaanbod, in een piekjaar maximaal 750 tot 1400 dieren per ha. De veldmuis leeft in een zelf gegraven gangenstelsel en soms maakt hij gebruik van oude mollengangen. Het gangenstelsel ligt meestal dicht onder de oppervlakte, maar kan tot op een diepte van 50 cm onder de grond liggen. Het gangenstelsel bevat een nest, voorraadkamers en eetkamers. Het nest is gemaakt van hooi, gras en plantenstengels.

Vanuit het ondergrondse gangenstelsel lopen lange gangen met meerdere uitgangen naar de oppervlakte; sommige gangen zijn wel zes meter lang. Pas aangelegde gangen van de veldmuis herken je aan de hoopjes verse, losse aarde voor de ingangen. Een gang heeft een doorsnede van 3,5 cm. Soms ligt het nest ook bovengronds, onder stenen of in graspollen. Nesten van verschillende veldmuizen liggen meestal ongeveer drie meter van elkaar af.

Voortplanting en leeftijd

De voortplantingstijd van de veldmuis loopt van maart tot oktober (soms langer). Na een draagtijd van 19 tot 21 dagen krijgt het vrouwtje 3 tot 8 jongen. De jongen worden kaal en blind geboren in een nest dat is bekleed met fijne grashalmen. Na 2,5 week verlaten de jongen het nest en na een maand zijn ze al geslachtsrijp en kunnen ze deelnemen aan de voortplanting. Vrouwtjes krijgen gedurende de voortplantingstijd elke maand een nieuwe worp.

Veldmuispopulaties vertonen sterke schommelingen in aantallen. Na een piekjaar volgt altijd een daljaar waarna de populatie in drie jaar tijd weer toeneemt naar een maximum. Door stress, voedselschaarste, regen, vorst, etc. ontstaan vanzelf dan weer een daljaar. In de jaren waarin er weer een toename is, worden ook de minder geschikte bewoont. Aan het eind van de winter is het aantal velmuizen veel lager dan in het najaar.

Veldmuizen die buiten leven worden maximaal 1,5 jaar oud, maar meestal leven ze korter dan een jaar. In gevangenschap kunnen veldmuizen tot 3 jaar oud worden.

Sporen

Vraatsporen

Knaagsporen van de veldmuis zijn te vinden op maïskolven of bloemhoofdjes van paardenbloemen (om bij de onrijpe zaden te komen). In de winter knagen veldmuizen wel eens aan jonge boompjes; met name beuk en eik met een dikte tot 2-3 cm. Hierbij eten ze stukjes van 5-10 cm van de wortels weg; meestal bovengronds, maar ook wel ondergronds. Daarnaast knagen ze in de winter aan fruitbomen, met name appelbomen, die in korte grasvegetatie staan.

Ze knagen bij deze bomen aan de stam; tot 10-15 cm van de grond af of van laaghangende takken. Door het knagen aan bomen, ringen ze soms de bomen waardoor deze afsterven. Bieten, knollen, wortels en penen hollen ze vaak ondergronds uit. Vaak is dit te zien door het verwelken of bruin worden van de bovengrondse plantendelen. In de zomer eten ze bast van bomen waarbij ze stukjes schors afbijten en op de grond laten liggen.

In gangen en voorraadkamers van de veldmuis zijn vaak voedselresten te vinden. Dit zijn bijvoorbeeld afgebeten plantenstengels of graszaadjes.

Uitwerpselen

De uitwerpselen van de veldmuis zijn 4-7 mm lang en 2-3 mm in doorsnede. Ze zijn heldergroen, donkergroen of beigebruin, afhankelijk van het gegeten voedsel. Ze zijn cilindervormig en hebben meestal stompe polen (af en toe gepunt). De keutels zijn te vinden op looppaadjes en tunneltjes in korte grasachtige vegetatie, vooral op de kruispunten.

Loopsporen

Bij pootafdrukken van de veldmuis is de voorvoet zowel 10 mm breed als lang en de achtervoet is 12 mm lang en 13 mm breed. De veldmuis, net als alle muizensoorten, 4 tenen aan de voorvoet en 5 aan de achtervoet. De prent toont sterk gespreide teentjes (vingervormig). Door hun kleine gewicht zijn sporen moeilijk te vinden en op soort te brengen. De veldmuis loopt meestal in stap (bij sneeuw in sprongengalop).

Tussen de verschillende holen van veldmuizen lopen muizenpaadjes, ook wel wissels genoemd, door de gras of strooisellaag. Door de urine en het geplette gras zijn ze vaak als donkere lijnen in de vegetatie te zien. Vooral in kort grasland, weilanden en wegbermen. In een dikke sneeuwlaag loopt de veldmuis net onder de sneeuw.

Bedreiging en bescherming

De veldmuis heeft veel natuurlijke vijanden, zoals hermelijnen, wezels, vossen, roofvogels, uilen, mollen, meeuwen, kraaien en reigers. De wezel is hiervan de gevaarlijkste voor de veldmuis, omdat deze hem tot in zijn hol kan volgen. De urine die veldmuizen overal achterlaten geeft ultraviolet licht af dat door roofvogels waargenomen kan worden.

Daarnaast zijn bewerkingen van de akkers, zoals maaien en spuiten bedreigingen voor de veldmuis. Ze sterven direct of indirect wanneer er niet meer genoeg geschikte vegetatie over is om zich te verplaatsen naar geschiktere leefgebieden. Ook verkeer of bouwwerkzaamheden overleeft de veldmuis vaak niet.

Tot 1950 kwam de veldmuis wel als plaag voor. Hij knaagde daar gewassen aan of woelde weilanden om met het graven van gangen. Door de intensivering van de landbouw, verdween het kleinschalig landschap met bijbehorende biotopen waar de veldmuis bij akkerbewerkingen naar toe kon trekken. Sindsdien zijn veldmuisplagen in Nederland zo goed als uitgebleven.

Waarnemen

Veldmuizen laten zich gemakkelijk vangen in live-traps.  Ze maken altijd een belangrijk deel uit van braakballen van ransuil en kerkuil. Daarnaast zijn looppaadjes of holletjes een goede indicatie voor het voorkomen van het aantal veldmuizen. Sporen van gangen net onder een dikke sneeuwlaag zijn vaak goed te zien. Aan toename of afname van het aantal holletjes of aandeel in braakballen, kunnen fluctuaties in de veldmuizenstand worden waargenomen.