Het Konijn (Oryctolagus cuniculus)

Algemeen

   Konijn (© J. Mulder)

Konijnen en hazen behoren niet tot de knaagdieren, maar tot de haasachtigen (of dubbeltandigen), een aparte diergroep. Het voornaamste verschil is dat haasachtigen achter de grote bovensnijtanden een paar stifttanden hebben staan, in tegenstelling tot knaagdieren. Ook hebben ze een gespleten bovenlip. Haasachtigen hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze relatief grote achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de neusgaten. Ze gebruiken nooit hun voorpoten om er voedsel mee vast te houden en aan de voorvoeten hebben ze vijf, aan de achterpoten vier tenen. 

Uiterlijk

 

Konijnen zijn compact gebouwd en hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Met name op de Waddeneilanden komen nog wel eens konijnen met een zandkleurige of zwarte vacht voor. Konijnen hebben lange oren, die korter zijn dan hun kop. De oorpunten hebben een dun donker randje aan de buitenzijde maar geen zwarte punten die zo typisch zijn voor de haas. Vrouwtjes (voedsters) hebben een iets smallere kop dan mannetjes (rammelaars) en zijn over het algemeen iets minder zwaar.

De korte staart is zwart van boven en wit aan de onderkant. De staart is meestal opgewipt, zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is. Konijnen hebben lange achterpoten.

Konijnenharen zijn 2 tot 3 cm lang met een zwart puntje. De dekharen zijn beigebruin. De dichte laag van dunne wolharen die altijd tussen de dikkere dekharen te zien is, is bij konijnen altijd grijs (bij hazen wit).

Afmetingen:

  • kopromplengte 35 - 45 cm
  • oorlengte 6,5 - 7,5 cm
  • gewicht 1,2 - 2,5 kg
  • staartlengte 5 - 7 cm

Geluid

Meestal zijn konijnen zwijgzaam. Bij angst of verwonding maken ze een hoge gil. Bij alarm slaan konijnen met hun achterpoten om geluid te maken, waarmee leden van de familie worden gewaarschuwd.  

Leefgebied en verspreiding

Konijnen zijn in de Vroege Middeleeuwen vanuit Midden-Frankrijk en het Middellandse Zeegebied ingevoerd en ondertussen over heel Nederland verspreid. Het konijn komt voor in vrijwel geheel West- en Midden-Europa en is daar, met uitzondering van rotsachtige gebieden en hooggebergten (boven 700 meter), algemeen en talrijk.

Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven. Ook in open polderlandschap ontbreekt het konijn veelal. In de duinen zijn konijnen belangrijke grazers. 

Leefwijze en voedsel

Konijnen zijn voornamelijk in de schemering en in de nacht actief. Een konijn is plaatstrouw en houdt geen winterslaap. Meestal wonen de konijnen in uitgebreide, zelfgegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers (wrangen), maar soms wonen ze in oude vossen- of dassenburchten. Een konijnenpijp is zo’n 7,5 cm in doorsnee.

Konijnenhol © Herwin WalravensTekening konijnenhol:
1 = uitgegraven en verspreide grond
2 = dichtgestopte ingang
3 = nest
 



Konijnen maken hun vacht vaak schoon met tong, tanden en nagels. In hun kin hebben konijnen een klier die geurstoffen afgeeft. Ze schuren hiermee over de grond en takken om zo hun territorium te markeren.

Ze eten eiwitrijke en lichtverteerbare plantendelen, zoals scheuten en wortels van grassen en kruiden, en loten van jonge struiken en bomen. Omdat konijnen ruim voldoende vocht kunnen halen uit hun voedsel, hoeven ze vrijwel niet te drinken. Door hun knaaggedrag worden ze wel tot de 'kleine grazers' gerekend en hebben ze een grote invloed op de vegetatie. 

Terriorium en verblijfplaats

Een hol wordt door één familie van maximaal tien leden bewoond. Binnen de familie bestaat een rangorde; apart voor mannelijke dieren en voor vrouwelijke. De zwakke en jonge dieren zijn daarbij ondergeschikt aan oudere en sterke individuen. Oudere wijfjes mogen in het midden van de kolonie een hol graven; de jongere worden naar de rand gedreven. Bij grote groepen wordt voortplanting bij de jonge vrouwtjes onderdrukt. Meestal blijft het leefgebied beperkt tot een gebied rond het holenstelsel. Hoe groot dat gebied is, hangt af van de voedselrijkdom in het gebied, oftewel hoe snel het afgegraasde gras weer kan aangroeien. De vegetatie in de buurt van hun wrang blijft hierdoor kort. Bijkomend voordeel daarbij is dat ze zo snel roofdieren kunnen opmerken en door dicht bij het hol te blijven kunnen ze snel en veilig het hol in duiken.

Soms worden mierennesten gebruikt als latrine en/of uitkijkpost en markering voor hun territorium.

Voortplanting en leeftijd


 

 

De voortplantingstijd valt globaal in de periode van januari tot in juli. Het vrouwtje bouwt aan het einde van een speciaal daarvoor gegraven zijgangetje (de wentel) in het hol een bolvormig nest van gras (kraamkamer), of een aparte, lange gang buiten de burcht. Het nest wordt van binnen gevoerd met haar (wol) dat ze uit haar vacht trekt. Het duurt ongeveer 28 tot 31 dagen totdat de jongen (meestal drie tot zeven, maximaal negen) worden geboren. Bij de geboorte zijn ze nog blind, doof en kaal. Na 2 weken verlaten ze al het nest en na ongeveer drieënhalve week worden ze gespeend en zijn ze zelfstandig. Per seizoen hebben konijnen meestal twee tot drie nesten.

Het wijfje bezoekt de jongen maar een maal er dag: dan zoogt ze de dieren. Voor de rest van de dag laat ze de jongen alleen in hetnest. Ze stopt de ingang van het hol dicht met aarde, gras of dorre bladeren dicht. Zo zijn de jongen beschermd tegen de kou en roofdieren.

Een moerkonijn kan in 1 jaar 20 nakomelingen voortbrengen. Door kou, vocht, ziekte en roofdieren sterven er vele jonge konijnen (lampreien).  

Sporen

Vraatsporen

Konijnen eten graag bloemhoofdjes van paardenbloemen . Afgebeten, net opgekomen wintergraan kan het werk van konijnen zijn wanneer de beet schuin is. Vraat van konijnen, maar ook van hazen, is te herkennen aan stengels en takken die schuin en scherp zijn afgesneden met de lange voortanden. Wanneer een ree of hert een stengel afbijt, is er op het snijvlak een gerafelde of vezelige bovenkant te zien.

Konijnen knagen dwars op de lengterichting van een stam of een tak en eten zowel schors als bast. Ook naalden van naaldbomen worden, vooral in de winter, afgebeten.

Vraatsporen van hazen en konijnen zijn niet van elkaar te onderscheiden, behalve dat de reikwijdte (in de hoogte) lager is dan die van een haas. Beide knagen zowel aan loof- als aan naaldbomen. Omgevallen bomen worden soms geheel ontschorst.

Loopsporen

 

  Prent viersprong konijn (© A. van Diepenbeek)

Konijnen hebben voorvoeten met vijf tenen en lange achtervoeten met vier tenen. De duim is zo kort dat de afdruk ervan niet altijd goed te zien is. Alle nagels zijn even groot. Omdat de derde teen wat langer is, is de vorm van de prent wat spits aan de voorzijde. Er zijn geen voetkussens te zien.

De pootafdrukken zijn ongeveer 25 mm breed en 35 mm (voorvoet) tot 40 mm (achtervoet) lang (100 mm inclusief hiel bij zithouding). De afstand tussen de pootafdrukken is afhankelijk van de loopsnelheid en loopt uiteen van 25 cm (zeer langzaam) tot 2,5 m (vlucht). In spongen-galop worden de achtervoeten ver voor de voorvoeten geplaatst. Bij huppelgang worden de voorvoeten (schuin) naast elkaar gezet.

Wissels (regelmatig belopen wildpaadjes) van konijnen zijn goed te herkennen aan de hand van de typische holenstelsels in de buurt. Wissels van konijnen zijn ongeveer 10 cm breed. Bij konijnen meestal in kruiden- of grasvegetatie.

Uitwerpselen

 

 

Vaak eten konijnen een deel van hun keutels op om nog niet verteerd voedsel er alsnog uit te kunnen halen. Dit verschijnsel noemen we ‘coprofagie’. Vaak knabbelen ze overdag in hun hol op deze zachte uitwerpselen die nog rijk zijn aan vitaminen en eiwitten. Na een tweede verteringsronden deponeren ze donkere, stevige keutels bovengronds. De keutels zijn meestal kogelrond. Ze zijn glimmend donkergroen (vers) tot zwartgrijs of bruingeel (oud) van kleur. Keutels van konijnen vind je meestal in hoopjes bij elkaar (latrines).

Bedreiging en bescherming

Belangrijke doodsoorzaken bij konijnen zijn besmettelijke virusziekten (zoals myxomatose, VHS), het verkeer, de landbouw en de jacht. Myxomatose is een virus dat in 1953 vanuit Zuid-Amerika is ingevoerd en wordt overgebracht door muggen en vlooien. Inmiddels zijn konijnen min of meer resistent geworden tegen deze ziekte.

Omdat konijnen schade kunnen veroorzaken aan land- en tuinbouwgewassen, mogen deze soorten bejaagd worden. Gewasschade kan worden beperkt door het aanbrengen van kunststof manchetten om boomstammetjes, een goede omrastering en het laten liggen van snoeihout, waardoor de vraat wordt afgeleid.  

Waarnemen

Ze zijn relatief eenvoudig waar te nemen. In de vlucht is altijd de witte onderkant van de staart te zien (in tegenstelling tot een haas die zijn staart bij het rennen altijd omlaag of horizontaal houdt). Dit is bedoeld om andere familieleden te waarschuwen (net als het roffelen op de grond met de achterpoten).