Het onderzoek kende twee hoofddoelen: 1. Het kwantificeren van de effecten van verkeerssterfte op het niveau van individuen, populaties, en de soort 2. Het verkennen van de mogelijkheden om het aantal verkeersslachtoffers terug te dringen door landschappelijke aanpassingen direct naast de weg.
Dit onderzoek richtte zich op de egel (Erinaceus europaeus), het meest voorkomende zoogdier in verkeersslachtoffertellingen in West-Europa.
Er is geteld hoeveel dieren er in egelopvangcentra overleden als verkeersslachtoffer. Er is gewerkt met een merk-terugvangproef in een klein agrarisch landschap, gecombineerd met een intensief zoeken naar verkeerslachtoffers in hetzelfde gebied. En de totale Nederlandse egelpopulatie is geschat in combinatie met de schatting van het aantal doodgereden egels per jaar.
Vooral op individueel nivo is er veel verkeerssterfte. Dit kan voldoende reden zijn om verzachtende maatregelen als andere begroeing of obstakels langs de weg te nemen. Daarnaast ondervinden egels waarschijnlijk ook op populatieniveau negatieve effecten. Op soortniveau heeft de egel vooral geprofiteerd van menselijke invloeden in het landschap.
De wijze, waarop mensen het landschap inrichten, lijkt de belangrijkste factor te zijn voor het voortbestaan van de soort op de lange termijn. Bepaalde aanpassingen in het landschap kunnen niet alleen worden gebruikt om fauna passages effectiever te maken, maar ook om egels bij wegen vandaan te houden op weggedeelten, die tussen de passages in liggen. Lees verder. (pdf)