Mol (Talpa europaea)

Uiterlijk

De mol heeft een zwarte, fluweelachtige dichte vacht. De haren van zijn vacht zijn op zo'n manier in de huid geplaatst dat ze elke kant op kunnen bewegen. De mol heeft grote tot graafhanden omgevormde voorpoten, met elk vier vingers en een duim met puntige nagels, waarmee hij uitstekend kan graven. De mol heeft kleine, slecht ontwikkelde ogen, maar hij is niet blind. Hij heeft een spitse, slurfvormige roze snuit met gevoelige snorharen en tastzenuwen en een klein staartje. Hij heeft geen uitwendige oren en ook zijn nek is niet te zien doordat die zo gespierd is.

Afmetingen:
lengte kop-romp: 11- 16 cm
lengte staart: 2,5 - 4 cm
gewicht: 60 - 140 gram

In gebergten is de mol vaak wat kleiner en in Groot-Brittanië is de mol juist zwaarder en langer dan in Nederland. Mannetjes zijn iets groter en zwaarder dan vrouwtjes.


Mol (© wesley Overman)

Geluid

De mol maakt vrij weinig geluid. Bij opwinding maakt hij zachte piepgeluidjes en tijdens gevechten een vrij luid geschetter. Verder maakt de mol tijdens zijn zoektochten naar voedsel vrij veel lawaai in de vorm van geritsel met blaadjes.

Leefgebied en verspreiding

De mol komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven. Voorwaarden zijn dat de bodem niet te zandig, te vochtig of te stenig is en dat er voldoende regenwormen aanwezig zijn. De bodem mag daarom ook niet te zuur zijn. De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Hij komt vooral voor in loofwouden en graslanden, maar ook in tuinen, bosranden, parken en boomgaarden, tot een hoogte van 2000 meter.

Het verspreidingsgebied van de mol strekt zich uit over Europa en een groot deel van Rusland. Binnen Europa ontbreekt hij in Ierland, Zuid-Europa, het grootste deel van Scandinavië en IJsland. In Nederland komt de mol vrijwel overal voor, al varieert de populatiedichtheid sterk. Alleen op de waddeneilanden en in de centra van grote steden ontbreekt hij. Flevoland en de Noordoostpolder heeft de mol langzaam maar zeker gekoloniseerd.

Leefwijze en voedsel

De mol leidt een solitair bestaan. Hij is zowel overdag als 's nachts actief. Hij wisselt periodes van activiteit en rust continu af. Zo'n periode duurt enkele uren. De mol verblijft vrijwel zijn gehele leven ondergronds. Door zijn speciale rechte haarinplant kan de mol even gemakkelijk voor- als achterwaarts door de gangen bewegen. Mollen kunnen goed zwemmen en klimmen.

De mol graaft diepe en ondiepe gangen tot 1 meter diep, waarvan de totale lengte 60 meter kan bedragen. De gangen worden ook wel tunnels genoemd. Bij het graven ontstaan de bekende molshopen; hopen zand. In bosgebieden liggen de molshopen dikwijls onder afgevallen bladeren verborgen. De mol kan uitstekend graven, de oppervlakkige gangen graaft hij met een snelheid van 12-15 meter per uur. Tijdens het graven wordt de aarde langszij naar achteren gewerkt en vervolgens naar buiten geduwd. Soms liggen de gangen zo ondiep, dat ze te zien zijn door de omhoog gewerkte grond. Deze gangen worden 'mollenritten' genoemd en worden vaak gemaakt door jonge mollen op zoek naar een eigen territorium of door volwassen mannetjes, in de paartijd.

Wanneer de burcht voldoende voedsel oplevert, neemt de graafactiviteit van de mol af. De mol onderhoudt zijn gangenstelsel goed en sluit uitgangen zo nodig van binnen af.

De mol eet uitsluitend dierlijk voedsel. Het gangenstelsel van de mol fungeert hierbij als een val voor ongewervelde dieren; tijdens voedselrondes door zijn gangenstelsel, verschalkt hij de dieren die in de gangen zijn gevallen. Het belangrijkste voedsel is de regenworm. Daarnaast eet hij ook larven, insecten, spinnen of slakken en soms kleine ongewervelde dieren, zoals jonge muizen, of eieren. In naaldbossen eet de mol ook veel kevers. Per dag eet de mol 50% van zijn lichaamsgewicht, wat neerkomt op ongeveer 50 gram. In het voor- en najaar legt de mol een voedselvoorraad aan van regenwormen, die worden opgeslagen in ondergrondse kamers. Wanneer de bodem droog is, komt de mol aan de oppervlakte om naar water te zoeken, bijvoorbeeld dauw.

Territorium en verblijfplaats

Het gangenstelsel van een mol is tevens zijn territorium. De grootte van een territorium van een mannetje beslaat tot 3000 m2 en dat van een vrouwtje tot 2000 m2. Soortgenoten worden hier op agressieve wijze uit verjaagd, maar de verschillende territoria kunnen elkaar overlappen en gemeenschappelijke tunnels bevatten, bijvoorbeeld naar water. In een open landschap met een humusrijke bodem en bossen met rijke bodems bedraagt de dichtheid 8 tot 16 dieren per hectare. In heidegebieden en op droge zandgronden zijn de dichtheden zeer laag en de territoria groter.

De mol maakt zijn nest op een diepte van ongeveer 50 cm in een diepe gang. Het nest is 25 cm breed en bestaat uit grassen, bladeren en mos.

Voortplanting en leeftijd

In de paartijd (februari-april) gaan mannetjes op zoek naar vrouwtjes. Ze verlaten hun territorium en graven lange mollenritten, totdat ze een territorium van een vrouwtje hebben gevonden. Tijdens de paringsperiode blijven die gangen intact. Mollen zijn geslachtsrijp na 11 maanden. Na een draagtijd van circa 28 dagen werpt het wijfje in het nest in de centrale ruimte 3 tot 6 (soms 2 tot 7) naakte en blinde jongen. De jongen zijn dan 3,5 gram zwaar. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen. Na 14 dagen hebben de jongen een vacht ontwikkeld. De ogen gaan na circa 22 dagen open, en na 33 dagen verlaten de jongen voor het eerst het nest. Na 4 tot 5 weken worden de jongen gespeend. Na twee maanden zijn de jongen zelfstandig en worden ze verstoten. Ze graven dan een gang loodrecht naar boven en gaan, grotendeels bovengronds, op zoek naar een eigen territorium.

De mol kan ongeveer 3 jaar oud worden. Echter, slechts 40% overleeft het eerste levensjaar en slechts 2% van de dieren wordt 3 jaar.

Sporen

Molshopen zijn hopen zand bij de uitgangen van zijn ondergrondse gangenstelsel of omhoog gewerkte grond bij ondiep liggende gangen. 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de mol zijn 3-20 mm lang en ongeveer 2-5 mm in doorsnee. Ze zijn donkerbruin tot zwart met restanten van regenwormen en insectenlarven. Vaak zijn ze aan een kant puntig en aan de ander kant stomp, de vorm is afhankelijk van het gegeten voedsel. De uitwerpselen worden zelden gevonden. Soms liggen ze bovenop een molshoop of in een geopende gang.

Loopsporen

De prenten van de mol zijn 15 mm breed en 11 mm lang. Bij de voorvoet zijn vijf puntjes te zien en bij de achtervoet vijf tenen en lange nagels.
 

Bedreiging en bescherming

Onder de grond heeft de mol geen natuurlijke vijanden, alleen zijn eigen soortgenoten. Boven de grond wordt de mol bejaagd door onder andere uil, buizerd, blauwe reiger, ooievaar, wezel, hermelijn en vos. Andere doodsoorzaken zijn honger door droogte en verdrinking door overstromingen. Ook vallen er regelmatig verkeerslachtoffers.

De grootste bedreiging van de mol is de mens. Veehouders, agrariërs en gazoneigenaren ervaren de gaten, gangen en molshopen op hun grasvelden als hinderlijk. Daardoor vormen allerlei vallen ook een bedreiging voor de mol. De vervolging van mollen door mensen heeft echter zelden een langdurig positief effect. Wanneer in voedselrijke bodems leefgebieden vrijkomen, worden deze namelijk weer door andere dieren gekoloniseerd.

In Nederland is de mol volgens de nieuwe Flora- en faunawet sinds maart 2005 niet langer een beschermd dier. In het begin van deze eeuw was de mol wel beschermd, omdat men hem zag als een nuttige insecteneter.

Waarnemen en onderzoek

Bewoningsporen van de mol zijn gemakkelijk te vinden in de vorm van molshopen. 
Loopsporen en uitwerpselen van de mol worden zelden gevonden.

Door een situatieschets te maken van de plaatsen waar zich hopen en gangen bevinden, kunnen de territoria van mollen worden gevolgd en opgemeten. Door enkele dagen achter elkaar de nieuw opgeworpen grond in te tekenen, is het mogelijk om territoria te onderscheiden en tot een dichtheidschatting te komen.

Vroeger werden mollenpoten meegedragen voor geluk en zouden ze bij kinderen helpen bij het doorbreken van de tanden. Dit laatste vanwege het verband dat men zag tussen de nagels aan de voorpoten van de mol en het doorbreken van tanden.