Is er een rol voor draagkrachtmodellen in reewildbeheer?

7 december 2015

Reeënbeheer in Nederland is in beweging. De populatie groeit en momenteel kijken rechters kritisch naar de onderbouwing van afgegeven ontheffingen. Afschot werd altijd bepaald aan de hand van draagkrachtmodellen. Maar is dat in deze tijd nog de beste manier op reeen te beheren? Daarover schrijven Jasja Dekker, Stefan Vreugdenhil en Hans Hollander in het nieuwste nummer van het Vakblad Natuur, Bos en Landschap.

Het ree doet het goed in Nederland. De afgelopen decennia is niet alleen het aantal reeën fors gegroeid - met schattingen tot 100.000 dieren voor heel Nederland. Het ree heeft zich ook over vrijwel heel Nederland verspreid. Sinds 2002 zijn beheer en schadebestrijding van reeënpopulaties geregeld in de Flora- en faunawet. 

Meldingen Ree vanaf 2004.

Regelgeving

Afschot van reewild is onder deze wet alleen mogelijk  als er sprake is van het belang van openbare veiligheid, ter voorkoming van belangrijke economische schade en ter voorkoming van schade aan flora en fauna. Daarnaast mag er in de stand worden ingegrepen ter voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, of als er een schadehistorie is. Of wanneer de populatieomvang groter is dan de draagkracht van een gebied. Deze draagkracht is het aantal reeen dat theoretisch in een gebied kan leven, zonder dat daar landbouw- of verkeersschade , dan wel gezondheidsproblemen ontstaan: de maatschappelijke respectievelijk ecologische draagkracht.

Ree (foto: Jan Duker).

Aanpassingen

In het artikel wordt er voor gepleit dat de huidige werkwijze wordt aangepast. Ten eerste wordt de draagkracht van een gebied in het draagvlakmodel beschouwd als een statisch getal. Maar de dichtheid in een gebied kan fluctueren, zowel door natuurlijke als menselijke oorzaken. Bij een zachte winter is er meer voedsel en bij nat of koud weer zullen er meer dieren een natuurlijke dood sterven. De ecologische draagkracht kan dus niet gezien worden als een vast getal.

Ten tweede worden de tellingen gehanteerd als exacte aantallen waarin reeën zouden voorkomen. Dat aantal, minus de bepaalde draagkracht, levert het te realiseren afschot in een gebied. Het bepalen van het aantal reeën is echter enorm moeilijk. De reewildtellingen die door de reewildbeheerders worden uitgevoerd (één telling per jaar) leveren in de praktijk een onderschatting van de aantallen.

Ten derde, zelfs als het aantal dieren exact bekend zou zijn, en dus het aantal kan worden bepaald om een (maatschappelijke) draagkracht te bereiken, is het bepalen van die draagkracht moeilijk. Het gaat bij populatiebeheer van het ree vooral om het voorkomen - of op zijn minst het beperken - van landbouw-, bosbouw- en verkeersschade en het voorkomen van ziektes. Het idee is dat die zaken niet voorkomen bij “lage” dichtheden reeën. Maar juist de relatie tussen dichtheid en het optreden van ziektes, ongelukken en schade bij hertachtigen is slecht onderzocht, en onderzoeken laten tegenstrijdige uitkomsten zien.

Overstekend ree (foto: Jan Duker).

Nieuwe benadering

Een nieuwe, beter bij het ree passende benadering behelst onder andere een afschotbepaling, die beter past bij de huidige verspreiding en omvang van de Nederlandse reeënpopulatie én bij de actuele wetgeving en jurisprudentie. Dit gebeurt door twee aanpassingen in het beheer:

1. ga beheren op schade en trends in populatieontwikkelingen van reeën en niet met modellen, en
2. zorg voor een betere onderbouwing van de relatie tussen dit beheer en de schade aan verkeer, land- en bosbouw.

Faunabeheerders en niet-faunabeheerders zullen moeten samenwerken om het reewildbeheer aan te passen aan de veranderde juridische kaders en de ecologische realiteit van het ree  anno 2015 en daarna.

Meer is te lezen in het artikel (pdf) in het Vakblad Natuur, Bos & Landschap. Overigens pleit ook Vereniging Het Reewild voor een gecoördineerd reewildbeheer op leefgebiedniveau, meer informatie hierover is te vinden op www.reewild.nl.

Tekst: Jasja Dekker (Jasja Dekker Dierecologie), Stefan Vreugdenhil & Hans Hollander (beide Bureau van de Zoogdiervereniging).